De laatste dag

 

En op dat moment,
in een soort plotselinge openbaring,
dacht je dat je de hel begreep.

—Carlos Rojas

1.
De straat is van a tot z verlaten maar ik loop braaf op de stoep. Het is een van die trucjes die bedoeld zijn om normaliteit af te dwingen, met altijd in het achterhoofd de niet te verhelen kennis dat de oude maatstaven van normaal en afwijkend volledig omgekeerd zijn. Mijn dagen bestaan voor een groot deel uit het volharden in de ontkenning van deze inversie van conventies—vandaar het brave stoeplopen. Ik heb al weken, misschien al maanden geen auto’s meer gezien, geen bussen geen trams geen vrachtwagens geen ronkende brommers die stinkend voorbij komen lawaaien. Wagens getrokken door een zeldzaam paard, een span uitgemergelde ossen, een stel hologige mensen—ook die rijden nauwelijks meer. De assen zijn gebroken, de wielen tot stof vergaan, paarden hebben het opgegeven en mensen vallen weerloos luchtloos op het gebarsten asfalt neer. Er worden geen begrafenissen gehouden. Er zijn geen kraaien meer om de ogen uit te pikken.

Ik loop op de stoep met oordopjes in mijn oren en mijn hoofd gaat volautomatisch ritmisch op en neer, al is het snoer nergens ingeplugd: mijn doofstomme telefoon heb ik een paar weken terug met iemand geruild voor drie blikken gepelde tomaten. Ik kon mijn geluk niet op, tot ik een blik opende – en toen het tweede, en direct het derde – en ontdekte dat ze allemaal met zand gevuld waren. Hoe die bedrieglijke ruilhandelaar de blikken weer zo levensecht dicht heeft gekregen, is een raadsel dat me constant bezighoudt.

Soms doe ik alsof ik op straat mensen moet ontwijken, mensen die zonder om zich heen te kijken ineens stilstaan en hun telefoon pakken om een berichtje te lezen of GoogleMaps te raadplegen, of ze komen een vriend tegen en schudden lachend handen en vragen hoe het met ze gaat. Ik zucht dan stilletjes en stap geërgerd om de spookverschijningen heen, irritante lui zonder enig ruimtelijk besef… Maar er is niemand, de enige beweging op straat komt van aan flarden gescheurde reclameposters die zachtjes bibberen in de wind alsof ze om redenen die niet in taal uitgedrukt kunnen worden een hekel hebben gekregen aan de producten die ze aan moeten prijzen.

2.
De laatste persoon die ik heb gesproken was een vent met een enorme baard die me vertelde dat hij op katten jaagde. Vorige week? Tijd is ongelofelijk relatief geworden. Ik vroeg de man verwonderd waar hij katten hoopte te vinden—de gedachte aan een vette kater vulde mijn mond met droog, stroperig speeksel. ‘Ik heb al tijden geen katten meer gezien,’ zei ik, ‘alleen dode paarden en wilde honden, en die smaken allebei nergens naar.’

De man met de enorme baard antwoordde: ‘Waar mensen zijn, zijn katten. Ik volg de voetsporen van afgetrapte schoenen en hoop maar dat katten hun kussentjes onzichtbaar in de passen van hun baasjes zetten.’ Hij grijnsde zijn tandeloze mond wijd open en snoof een lijntje grof, grijs poeder. Het leek op betongruis.

Ik was te verbluft om iets te zeggen. Katten vangen door de metonymische verwijzing te volgen in plaats van het ding zelf! Slim. Ik had wel eens gehoord dat katten heel symbolisch en mysterieus zijn, maar ik had niet durven vermoeden dat het zó ver ging. Nieuwsgierig vroeg ik de man of zijn strategie goed werkte, of hij al veel katten te pakken had weten te krijgen.

De kattenvanger – zijn naam was Finsternis, of iets dergelijks – keek me aan, waterige ogen die naar iets zochten, grip probeerden te krijgen op een fata morgana. Hij zei niets meer en wees met een knokige vinger naar de uitgang van zijn krot. Even leek het alsof er tranen over zijn wangen dropen. Ik respecteerde zijn stille wens en vertrok, peinzend over de onzichtbare looppas van een leger transparante katten.

Dat was tien dagen geleden, misschien wel langer. Niemand ben ik tegengekomen, nergens heb ik stemmen of voetstappen gehoord. De eenzaamheid verpulvert mijn volgehouden verzet tegen de omwenteling van de wereld, en ik verlies langzamerhand alle houvast die ik ooit heb gekend. Ik loop netjes op de verbrijzelde stoeptegels van de Karl-Marx-Straße en kijk bij ieder kruispunt links en rechts en nog een keer, maar ik geloof er niet echt meer in. Ik probeer te fluiten. Het geluid jaagt me angst aan. Het klinkt als het raspende huilen van de wind in de lege ribbenkast van een gevallen reus. In een McDonald’s staat een versteende clown voor eeuwig naar dode kinderen te zwaaien.

3.
Vroeger zou er altijd een morgen komen, en er was altijd wel iemand om te liegen dat de dingen dan beter zouden zijn. Vroeger hielp slaap tegen ieder probleem—na het openen van je ogen kon je altijd geloven dat elk dilemma ietsje milder was geworden.

Nu niet meer, bedenk ik: deze dag zal nooit voorbij zijn. De aarde zal draaien en de zon zal ondergaan, de maan en sterren zullen hun schijnsel schijnen, ik zal mijn hoofd te ruste leggen en na een aantal uren weer opheffen. Ik zal geeuwen en me uitrekken, wassen en karig ontbijten—al die instincten en rituelen, maar deze dag zal nooit opraken, er zal altijd méér van deze dag zijn en “morgen” is een belofte die de komende generaties niet zullen begrijpen. Ha, alsof er ooit nog generaties zullen komen. Zelfs de stilte lacht me uit.

In de afgelopen dagen heb ik een ijzeren staaf met me meegesleept. Als ik ergens ga zitten om uit te rusten of omdat ik geen idee heb wat ik aan het doen ben, slijp ik de staaf op de daken van stoffige auto’s en de metalen wandbekleding van dure winkels. Hij heeft nu een scherpe punt.

Ik loop over de stoep zonder ergens naar toe te gaan en ik wil het bijna helemaal opgeven, ga maar liggen en wacht tot de hemel naar beneden komt donderen, maar dan zie ik een paar willekeurige brokken beton, brokken die mij direct voorkomen als mijn bestemming, de precieze plek die ik altijd al gezocht heb. Ik ram mijn staaf ertussen zodat ‘ie schuin overeind blijft staan. Ik laat mijn blik nog een laatste keer over het gebroken landschap glijden. De zon glinstert door de onnatuurlijk gekleurde wolken en in de verte schuifelen twee vlekjes over een omver getuimelde vrachtwagen. Konijnen, katten misschien.

Mijn adem gorgelt rood door de verder eerbiedig stille wereld.

~


  • De afbeelding boven dit verhaal is een collage van CCQA: I Know I Should Be Happy, but I Was Raised a Protestant (14,8 x 21 cm, 2015).
  • Het origineel van het motto van dit verhaal is: “Y en aquel instante, en una suerte de súbita revelacíon, creíste comprender el infierno.” Carlos Rojas: El Ingenioso Hidalgo y Poeta Federico García Lorca Asciende a Los Infernios (Ediciones Destino, 1980), p. 57; dit boek heb ik gelezen in de Engelse vertaling Edith Grossman: The Ingenious Gentleman and Poet Federico García Lorca Ascends to Hell (Yale UP, 2013), p. 38. Ik heb het motto vanuit de Engelse versie vertaald naar het Nederlands.

~

Dit bericht is geplaatst in De Stad met de tags , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *