De sterkste toetsen dragen de zwaarste lasten

Oh, mijn springveren zijn zo moe
—Daniil Charms

Ik wilde zo graag iets typen, de inspiratie en de drang en het donkere gevoel van onvermijdelijkheid waren overweldigend, pijnlijk zelfs, maar de schrijfmachine werkte niet meer. Ik besloot het probleem eerst mechanisch aan te pakken: met de verve die mij zo eigen is heb ik het ding helemaal ontmanteld en weer in elkaar gezet. Het hielp niks en na al mijn inspanningen zat ik met een onfunctioneel apparaat, alsook met drie schroefjes die nergens vandaan leken te komen en één losse toets met een vreemd symbool dat mij eerder niet was opgevallen: ᚠ. Wat een ellende.
Ik heb een tijdje op het probleem gekauwd, maar de letter bleek niet geschikt voor menselijke consumptie—een euvel dat godzijdank met één kordate auto-heimlichmanoeuvre weer verholpen was. De schroefjes heb ik ’s nachts in het plantsoen begraven, de maan is mijn enige getuige.
Mijn tweede reparatiepoging was politiek van aard. Ik heb diverse commissies en werkgroepen gevormd en een heel aantal vergaderingen belegd. Het duurde even voordat er een voorzitter en een secretaris gekozen waren, en er was een heel gedoe met de notulen, maar na een tijdje liep alles op rolletjes. Ik heb met mezelf een hoop stroperige compromissen bereikt, maar de typmachine bleef volharden in zijn disfunctie.
Uiteindelijk wendde ik mij voor een oplossing tot het spirituele domein. Ik heb gebeden, gedanst, gezongen, gevloekt en bezweringen gefluisterd. Bij de dierenwinkel wilden ze me geen slangen meegeven – Maar het is een ‘patafysisch noodgeval, heb je nog nooit Jarry gelezen?! – waardoor ik me gedwongen zag een zak half-ontdooide tilapiafilets te offeren op mijn altaartje van sprokkelhout. Vruchteloos, oh zo vruchteloos.

Gefrustreerd en de wanhoop nabij ging ik laat op de avond de deur uit waar de wolkige draden kwallen EXPLOSIES van wierook en hasj uit mijn geest geveegd werden door de omhelzing van de frisse stadslucht. Na een paar kwartier trappen door de schaduwen die zich als herfstbladeren in een nette cirkel rond iedere lantaarnpaal gedrapeerd hadden, moest ik snel even een steegje induiken om leunend tegen de klamme muur de straatstenen te bewonderen. Queesten, moest ik blijven herhalen, Zijn nooit gemakkelijk. Nu mijn misselijkheid wat bedaard was keek ik om mij heen en mijn blik kruiste die van een aardige man die zich met een binnenstebuiten gekeerde boodschappentas in iedere hand hard maakte voor recycling. Een urbane guerrilla! Hij hoorde welwillend mijn klaaglitanie aan en speelde het klaar aan het einde van mijn verzuchtingen een wonder te verrichten: ‘Ik ben typmachinemonteur,’ zei hij.
Mijn adem stokte in mijn keel. Had mijn tilapiaoffer dan toch gewerkt? Blijkbaar wel… Slangen, vissen, vogels—als het maar schubben heeft! Ik moest echter praktisch blijven.
Wat is uw uurtarief?’ vroeg ik.
‘Zevenhonderdzesennegentig euro,’ zei hij, ‘en ik bereken geen voorstrompelkosten.’
‘Wat een aanbod!’ kirde ik. ‘Het universum is weer met mij!’De monteur knikte ernstig, zijn vierkante hoofd ingekaderd door een witte franje waarin hoofdhaar en baard niet meer van elkaar te onderscheiden waren. Hij zei: ‘Het universum is met ons allen. Het heeft daarin verrassend weinig te kiezen.’
Ik stelde mezelf voor. Hij zei dat hij Vissenis heette, of iets dergelijks, hij mompelde en ik luisterde niet, ik was alweer bezig met alle boodschappenlijstjes en boze brieven die ik zou kunnen schrijven. ‘Wanneer kunt u langskomen?’ vroeg ik.
Hij sloeg zijn lange jas open. Aan de binnenkant was een lang vel papier met veiligheidsspelden aan de stof bevestigd. Het papier was bekrast met talloze getallen, pijlen, uitroeptekens en onderstrepingen. ‘Morgen,’ zei Vissenis, ‘of overmorgen. Het hangt allemaal van de stromen af, van de stromen en de drooggevallen kanalen die jij straten noemt, en ook van het door motten aangevreten verduisteringsgordijn dat jij als de sterrenhemel kent.’
Dat klonk heel redelijk, zei ik. ‘Het is zelfs geweldig. Dank u.’
Hij neeg zijn hoofde en staarde in de verte. Ik keek met hem mee maar zag niks, alleen een versteend verkeersongeluk op een zebrapad, er lagen twee kinderen onder een auto en er was nog geen ambulance verschenen. Vissenis fluisterde iets, alsof hij het tegen zijn vroegere zelf had, of tegen iemand die op zijn schouder zat. Het klonk als ‘…betekent donkerte, altijd en overal.’ Ik besloot er geen aandacht aan te besteden.
Omdat het probleem mij niet eenvoudig op te lossen lijkt, heb ik Vissenis direct twee uur vooruit betaald. Toen ik de biljetten overhandigde glinsterde er iets van verbijstering in zijn ogen. Typmachinemonteurs zijn vast een erg sereen, cerebraal volk dat weinig waarde aan geld hecht. Hij heeft beloofd vandaag of morgen of volgende week of in elk geval voor de herfst langs te komen, mét btw-factuur voor de reeds voldane bedragen, natuurlijk.

Ik ben zo benieuwd.

~

  • afbeelding: CCQA. O, My Springs Are So Damn Tired (collage 2017, afmetingen variabel)
  • Het motto komt uit Daniil Charms’ toneelstuk Elisabeth Bam (1928), 216. vert. Yolanda Bloemen & Marja Wiebes, in: Ik zat op het dak (Amsterdam: Atlas, 2002). 199-228.
Dit bericht is geplaatst in Breuken/Flitsen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *