Der Gummibär

Ik zit op een terras in Berlijn. Het is avond, niet laat maar wel donker. In het licht van een lantaarnpaal recht boven mij drink ik matig bier en lees ik A Scanner Darkly, misschien wel het beste boek dat Philip K. Dick ooit geschreven heeft. De combinatie van de spacende roman en de (weinige) matige biertjes transporteert mij naar een tijdloze ruimte, een non-plek, mijn eigen solipsistische universumpje waarin ik iedereen als door lagen water hoor en zie—we zitten allemaal op de bodem van de zee en kunnen elkaar niet bereiken, ieder werkelijk contact is onmogelijk geworden; nee, nooit is enig contact mogelijk geweest, we zijn altijd al radicaal van elkaar gescheiden geweest. Het boek is geweldig maar wekt—door de junkies en drugtrips en onthechting van de realiteit die de hoofdmoot vormen—in mij onthechting op: de dingen om mij heen lijken minder tastbaar geworden, halve illusies, alsof ze enkel bij de gratie van mijn perceptie bestaan. En dit betekent—wederom, maar via een andere route naar dezelfde conclusie—dat ik alleen ben, dat alle mensen en dingen niet slechts van mij gescheiden zijn, maar in feite projecties zijn van mijn geest, mijn meind: spirituele en intellectuele hologrammen. Dit idee wakkert in mij milde paranoia aan, het terugkerend langzame achterovervallen in de zwarte put van mijn Zijn, slow motion. Donkere wolken pakken zich samen en ik moet op mijn ademhaling letten. Ik verzeker mezelf dat de werkelijkheid solide is. Dit doe ik niet door perceptie (die immers vertroebeld is en onbetrouwbaar geworden) maar door denken alleen. Solide, solide. Materialiteit. Het helpt een beetje. Ik lees gewoon door.

I feel like I’ve dropped acid and then gone through a car wash, he thought. Lots of titanic whirling soapy brushes coming at me; dragged along by a chain into tunnels of black foam.

Ik kijk op en zie aan een tafeltje tegen de gevel van het café een grote vorm zitten, een Vorm ingepakt in lagen en lagen doorzichtig plastic. Ik schrik. Zit die Vorm daar, zien anderen hem ook? Door het dikke plastic heen lijkt het … een lichtgele gummibeer, ein Gummibär. Het is een Donnie Darko-ervaring van een plotseling verschijnen. Ik heb niet gezien of der Gummibär daar al zat voordat ik mijn plekje zocht, of dat iemand de Vorm daar neergezet heeft. Misschien hoort ‘ie gewoon bij de kroeg, je ziet hier wel vreemdere dingen. Maar in mijn verstoorde wereldje lijk ik de enige die der Gummibär ziet staan, alsof hij hier geplaatst is, of autonoom hier naartoe gekomen, om mij iets te vertellen, mij ergens aan te herinneren, maar ik ontvang de boodschap niet, en der Gummibär blijft stoïcijns in zijn aanwezigheid. Ik besluit verder te lezen, maar ik kan het niet laten iedere paar minuten te kijken of der Gummibär er nog staat, of zit—hij lijkt echt aan tafel te zitten, bijna deel te nemen aan het geanimeerde gesprek tussen mensen die hem negeren. Acht nicht auf ihm, er ist besoffen. Maar ik kan niet anders dan op hem letten, en hoe meer ik korte, stiekeme blikjes op hem werp terwijl ik doe alsof ik aandachtig mijn boek lees, hoe vreemder ik mij voel. Er bestaat een soort duizeligheid die je niet duizelig maakt, een loodzware lichtheid in je hoofd die je voelt als een xtc-pil begint in te kicken. En datzelfde gevoel krijg ik nu, maar dan zonder de begeleidende geruststelling van euforie. Ik zit opgesloten in een wereld van één enkele kijklijn. De materie wordt weer zacht, kneedbaar. Hoe meer ik doe alsof ik lees en blijf drinken, hoe verder de mensen om mij heen zich in de schaduwen terugtrekken terwijl der Gummibär duidelijk aanwezig blijft, nu het enige solide onderdeel in mijn vloeibare wereld is geworden. Staat er een spotlight op hem gericht? Of gloeit hij misschien van binnen? Let toch niet op hem, hij is dronken. Lees, drink, lees. Uiteindelijk kom ik weer in mijn boek.

Het is even later—een kwartier? een half uur?—en mijn bier is leeg, op. Ik keek weer om mij heen en overweeg of ik nog een halve liter wil. Zoals vaker laat ik dit van de serveerster en het micromoment afhangen. Als ze me verwachtend aankijkt zullen mijn tong en lippen zelf bepalen of ik noch Eins wil of genre zahlen möchte. Mijn blik valt weer op der Gummibär, die ik eventjes zalig vergeten was, en precies op dat moment staat een jongen van tafel, pakt de vorm onder zijn arm—zo weinig gewicht!—en loopt weg. Gelukkig, anderen zien hem ook. De vrolijke serveerster met het zwarte haar kijkt me aan. Ik bestel noch Eins. Mijn wereld wint langzaam weer aan vastheid.

Dit bericht is geplaatst in De Stad, Dromen, Voor Vandaag, Wanhoop met de tags , , , , , , , , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.