Salva me ab ore leonis

Hij zit op een terras te lezen, een roman van William S. Burroughs—of nee, een boek van Burroughs. William Seward schreef geen romans, hij schreef dromen en nachtmerries en profetieën. Soms leest hij zinnen fluisterend aan zichzelf voor om de cadans te volgen, de absurde en geniale waanzin van de woorden. Het mooie meisje van de bediening grapt dat ze niet begrijpt hoe hij zo rustig kan zitten lezen. Het is inderdaad druk op het terras. Maar de mensen kletsen in zes talen en het rumoer smelt samen tot een zee van geluid, een waas van klanken die door hun vermenging alle onverstaanbaar worden en het kost hem geen moeite zich te concentreren.

Als de avond werkelijk valt en het overal vol zit met eters en feesters wordt dit echter steeds lastiger. Iedere paar minuten staat er weer iemand bij zijn tafel. Wil hij een straatkrant kopen? Heeft hij een bijdrage voor het slaaphuis? Donatie voor kinderen in Darfur c.q. Bangladesh c.q. Syrië? Gewoon een euro, geen reden of bestemming opgegeven? Een halfblinde Roemeen stelt zich op de stoep op en ragt op zijn accordeon hetzelfde kutdeuntje als gisteren en als twee minuten geleden en als over twee minuten. Als de marteling eindelijk voorbij is duwt de Roemeen met een hagedissengrijns een papieren bekertje onder zijn neus. Hij negeert iedereen, alleen de vrouw van het Rode Kruis krijgt een muntje. Een getatoeëerde dakloze die veel te jong is om dakloos te zijn vraagt beleefd of hij een sigaret mag bietsen. Een donkere man met ongezond gele ogen wil dat hij een roos koopt—voor wie, in hemelsnaam?! Een oude vrouw zonder tanden in haar mond, alleen maar versteend roze-bruin tandvlees, houdt een foto van een huilend kind omhoog, haar hand uitgestoken. Hij zegt steeds minder vriendelijk ‘Nee, helaas. Nee, dank je.’ Weer een straatmuzikant met accordeon, nu met een jonge, magere vrouw in een lange rok die er onverstaanbaar bij zingt, het is meer een ritmisch mompelen. Lezen is onmogelijk geworden, hij wacht tandenknarsend tot het voorbij is. De vrouw loopt rinkelend met haar bekertje langs het tafeltje, hij negeert haar en drinkt zijn glas leeg. Hij wil alleen maar met rust gelaten worden.

Hij heeft net de psychedelische non-draad van het boek weer op kunnen pakken als er alweer een schaduw over zijn tafelt valt. Een stem begint ‘Wil je misschien…’ Hij slaat met het boek op tafel. ‘Laat me verdomme met rust!’ schreeuwt hij schor. Hij kijkt op. De serveerster heeft tranen in haar ogen en haast zich naar binnen. Alle gezichten aan de andere tafeltjes staan donker, een man met lange, witte haren schudt zijn hoofd.

Hij legt een paar bankbiljetten op tafel, zet de asbak er bovenop. Verteerd door een gevoel van onrechtvaardigheid schuifelt hij de nacht in.

~

Dit bericht is geplaatst in De Stad, Dromen, Wanhoop met de tags , , , , , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.