Kampvuur

Op een open plek in het bos kwamen eens veel mensen samen, hierheen gelopen, hun auto’s ver weg geparkeerd. Het waren grotendeels vreemden, weinigen hadden elkaar eerder gezien, buiten het bos. De mensen bleven in kleine kliekjes staan, zaten in geïsoleerde kringetjes op het mos en op de omgevallen bomen bij hun gezinsleden of vrienden. Niemand wist wat ze hier deden. Ze waren tegelijk onrustig en erg op hun gemak. Ze kenden dan weinig mensen, noch de reden dat ze naar hier naartoe gereden waren met hun krentenbollen en pakjes appelsap, maar het bos was vredig en stil en sprookjesachtig mooi. De laatste speren zonlicht dwarrelden door de hoge bomen op de open plek neer en zetten alles in een gouden glans van onsterfelijkheid. De wereld stond in bloei en het was nog warm, terwijl je de frisheid van het duister al aan kon voelen komen. Soms dachten de mensen iets tussen de bomen te zien bewegen, maar het bleek telkens niets te zijn: een soort wilg met wiegende takken, een rododendron met wel erg grote bloemen, zonlicht dat van een glanzend blad kaatste als was het een vliegende vlam. In de langzaam afrollende deken van de schemering hadden de zonvogels nog niet door dat hun tijd verstreken was, en dachten de maanvogels dat hun tijd al gekomen was, en alle aanwezigen slikten hun woorden en uitroepen in om te luisteren naar het schaduwkoor dat vanuit de takken zowel dag als nacht was, licht en donker en vooral betoverend.

Terwijl de dag echt zijn laatste biezen pakte, stapelden een paar voortvarende vrouwen en mannen een kampvuur op, geholpen door de vele kinderen die veel sneller vriendjes met elkaar geworden waren dan de volwassenen, die wel tien katten uit evenveel bomen moesten kijken voor ze een hand uit durfden te steken. Steeds meer mensen deden mee, tot álle aanwezigen vergaten zich ongemakkelijk te voelen en hielpen met het sprokkelen van takken, het verslepen van vermolmde maar vast goed brandbare stammen.

Het was een enorm bos, een echt woud. Vroeger hadden hier allerlei dieren geleefd. Niet alleen de egels en hazen die er nu nog redelijk goed vertoefden, maar beren en wolven en reusachtige, mythologische beesten waar niemand meer in geloofde. Goden, dachten de mensen vroeger, en ze bleven in de oertijd aan de randen van het bos.

Zonder dat de mensen iets afgesproken hadden, was het moment ineens daar om het vuur aan te steken. Een jongedame had stiekem al van een tak een toorts gemaakt, die ze achter een boom met lucifers aanstak. Toen iedereen begon te springen en te hollen en te roepen om vuur, kwam ze tevoorschijn. Ze liep in een paar stappen op het grote kampvuur af en stak het aan. Twee jongens en twee meisjes, niemand wist wie het waren, haalden ineens instrumenten tevoorschijn en begonnen te spelen alsof de groep het zo afgesproken had. Hun muziek was vrolijk en opzwepend, en een man begon mee te drummen met twee grote takken.

Het dansen begon met de kinderen. Ineens zweefden alle kinderen met de glans van het vuur in hun ogen om de vlammen heen. Ze sprongen, zwierden, gleden door de lucht. Het duurde niet lang voor alle houterige volwassenen meededen. Iedereen zwaaide met de armen, draaide rond, schudde met de benen. Ze zongen liedjes, liedjes zonder tekst die nergens op sloegen maar perfect bij het moment leken te passen. Ze verzonnen de klanken onder het zingen, terwijl de band sneller en sneller speelde. De open plek explodeerde van euforie en onbezorgdheid. Niemand vroeg zich af waarom ze daar waren, wat ertoe deed was dát ze er waren.

En uit het bos rond het vuur kwamen de woudgeesten, de mosbebaarde boommannen en eeuwig jeugdige waternimfen die in alle beken wonen. De Oudste der uilen met zijn ene, gele oog en de zilveren herten, tegelijk schuchter en zonder vrees. En terwijl de roze stervelingen bleven spelen en zingen en dansen stelden de woudgeesten zich op aan de randen van de plek, de ogen opengesperd om zoveel vrolijkheid.

De koning van de geesten was een grote eik, de oudste boom van het hele woud, die op zijn dikke wortels over de paadjes banjerde, met alle dassen en bloemen sprak. De kleine en grote vogels gingen dan op zijn takken zitten en fluisterden hem alle geheimen van zijn rijk in, en de koning wist alles. Hij stond ook bij de dansende mensen, verscholen tussen twee zeldzame berken, achter de Baron der beren en de Pater van de bevers. En de koning van het woud schudde met zijn enorme stamhoofd. De woudgeesten schrokken: was hij boos, moesten de mensen uit zijn rijk vertrekken? Maar nee, de koningeik swingde mee op de maat van de gitaren. De andere geesten begonnen ook te bewegen, langzaam met hun pootjes en staarten en takken en lianen te draaien. De bladeren van de hazelaars ritselden, de Eekhoornprinsen klapten in hun pootjes, de wilde rododendron trommelde verlegen op een linde die naast hem stond. Kleine spookvlammen – die brutale grappenmakers van de natuur – wiegden op ieders schouders en boven de hoofden van de antieke beschermers van het woud. De mensen, opgenomen in de muziek en het dansen, zagen niets, gingen door met hun vertier. Toen stapte de Heer der vossen schuchter met zijn dunne, rode pootjes in de kring. Hij zette een paar pasjes, probeerde een pirouette, en voor hij het wist stond hij tussen alle kinderen en volwassenen te dansen als een volleerde ballerina, een bosbreakdancer. De andere geesten, groot en klein, volgden, tot zelfs de koningeik takkenklappend met zijn massieve heupen stond te draaien. Overal brandde licht. Het kampvuur was net een kleine zon en bladeren in duizend soorten groen en geel en rood dwarrelden als discoflitsen op het feest neer. De maan, het vuur en de spookvlammen verlichtten de hele nacht lang het beste feest dat het woud ooit gezien had.

De volgende ochtend werden de mensen wakker en ze herinnerden zich niets van wat er gebeurd was. Waar ze het echter allemaal over eens waren, was dat het een goede nacht was geweest. Velen hadden spierpijn, al wist niemand precies waarom. Intens tevreden gingen ze allemaal naar huis. Toen iedereen weg was, leek het bos weer leeg, onmythologisch, bijna saai. Maar als je goed luisterde hoorde je hier en daar een boom neuriën, en misschien zag je een everzwijn wel erg dartel springen.

Dit bericht is geplaatst in Dromen, Het Sublieme, Voor Vandaag met de tags , , , , , , , , . Bookmark de permalink.

1 Reactie naar Kampvuur

  1. Carla schreef:

    Ahh, mooi sprookje!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.