Die kutgedichten ook altijd…

Toen ze allemaal waren vertrokken, bleef de beroemde dichteres nog een tijdje zitten om nergens aan te denken. Ze draaide zich op het bankje bekleed met plastic of vinyl en keek naar buiten.

Daar liepen ze: al die gezichten gezichten gezichten, met daarachter al die denkwerelden en trauma’s: naar binnen gedraaide levens en geknakte koersen en altijd droge monden. Jonge mannen die niets betekenden—niets meer betekenden of nooit iets zouden betekenen, wie weet, het resultaat is hetzelfde en de planeet wentelt zich in het donker. Evenzo vervloekte gezichten van jonge vrouwen die, ja, misschien wel hartchirurg of minister zouden worden, maar het was waarschijnlijker dat ze in anonieme kantoren zouden verdwijnen en door anonieme huwelijken verorberd zouden worden. Het bureau is een misdaad, de meubelzaak een tragedie. Voortuinen, schuttingen, grindpaden. Allemaal broodkruimels die nergens tot leiden. En daarbij, ook de hartchirurg moet belastingaangifte doen en de kinderen van de minister hebben een hekel aan hun moeder.

Kut, hier zat wel een gedicht in. Met een zucht van tegenzin sloeg de dichteres haar notitieboek open.

~

Geplaatst in Breuken/Flitsen | Een reactie plaatsen

Dubbelgangervirus

Hij lachte me vriendelijk toe terwijl hij de fles bier op tafel zette, bijna té vriendelijk dacht ik kleinzielig in mezelf, Wat een overdreven hartelijkheid, dacht de homunculus die in mijn brein drijft en de vorm en persoonlijkheid van een uitgedroogde pissebed heeft, zo negatief is mijn instinctieve zelf… te vriendelijk, c’est bizarre, en wantrouwig vroeg ik me af of ik hem eerder had ontmoet, alsof dat de enige reden voor vriendelijkheid zou kunnen zijn, maar ik kon me een eerder treffen niet herinneren en wilde hem bijna vragen wanneer dat dan was, of, dacht ik toen, misschien vond de ober wel dat wij tweeën erg op elkaar leken en amuseerde deze gelijkenis hem, ja, dat zou kunnen, we hadden allebei kort haar, een kort baardje en een bril met een dik, zwart montuur, maar ik begreep niet waarom deze oppervlakkige overeenkomsten voor hem genoeg waren om zulke blijkbaar vermakelijke conclusies te trekken, maar ach, ik ben niet de beste oordelaar van gelijkenissen want ik ben me zelden bewust van hoe ik eruit zie, zelfs als ik toevallig mijn weerspiegeling in een winkelruit opvang zie ik mezelf nauwelijks, of eigenlijk zie ik mezelf volledig maar ben ik altijd verrast door het beeld (Is dat werkelijk het lichaam dat ik bestuur?) en ik geloof niet dat ik mijn eigen tweelingbroer op straat zou herkennen, had ik een tweelingbroer gehad en was ik hem op straat tegengekomen… en ineens bedacht ik dat de ober misschien wel met me aan het flirten was, en hoewel ik niet kon zeggen hoe waarschijnlijk dat echt was, vond ik het op principiële gronden, gezien onze treffende gelijkenis, nogal onsmakelijk en ik deed de rest van de middag mijn best om mijn bestellingen niet bij hem maar bij zijn collega’s te doen, al waren ze door hun uniformen en opvallend gelijke lengtes en haarkleuren en door het felle zonlicht maar moeilijk uit elkaar te houden.

~

Geplaatst in Breuken/Flitsen | Een reactie plaatsen

Vertragingsverachting

Altijd wanneer een trein waarin ik zonder haast op pad ben vertraging heeft, en de vertraging bouwt op, eerst minuten en dan kwartieren en er zijn geen alternatieve reismiddelen beschikbaar, nog geen hondenkar of een scheel ezeltje, het is deze trein die hier staat te hijgen en kreunen als een dikke man die een lange trap naar een tandartsafspraak heeft beklommen of het is niets—Ik vraag me dan altijd af wiens leven door deze vertraging onherroepelijk verpest zal zijn. Er zitten hier honderden mensen, misschien wel meer dan duizend!, het is een lange trein dus er moet toch iemand zijn die een niet te missen vlucht niet heeft gehaald, een laatste sollicitatiegesprek heeft misgelopen, een grote liefde niet tegen heeft kunnen houden? … Te veel mensen, te veel draden en knooppunten—iemand moet hier toch geruïneerd zijn? Niet alles kan uitgesteld worden.

Ik zit en staar uit het raam, geërgerd want ik wil vandaag nog andere dingen doen dan door deze smalle gangpaden dwalen, maar ook weer niet zo geërgerd, want ik beleef zelden iets dat niet herhaald kan worden.

~

Geplaatst in Vragen en Meer Vragen | Een reactie plaatsen

Arriveren (Expleto Somnus)

Hij arriveert zoals een mens liggend verlangt naar de slaap maar die donkere bewusteloosheid, waarin alles zijde is, zijde en wolken, voortdurend niet kan vinden: je woelt tot je er bijna wanhopig van wordt, niet per se omdat je morgen nou zo ontzettend veel te doen hebt of omdat er niets tijdsverspillender is dan wakker liggen (in het geheel niet: tv-kijken en in de rij staan zijn ruim waardelozer), nee, tijdens het wakker liggen kunnen we zelfs aan dingen denken waar we overdag niet de rust of concentratie voor hebben, wat als niet zeer goed dan zeker ook niet erg slecht is, maar het wakker liggen drijft ons toch traag tot wanhoop (de geduldige houtworm), je weet dat zowel lichaam als geest – die natuurlijk in elkaars verlengde liggen, of, sterker nog, hetzelfde zijn, het één is (om het zo te zeggen) een facet of uitdrukking van het andere, maar de taal heeft nou eenmaal deze valse dichotomie aangebracht en daar komen we niet zomaar vanaf, het is niet aan ons om nu, hier, daar revoluties of evoluties in te gaan lopen veroorzaken – dat lichaam en die geest hebben dus rust nodig en zonder slaap en dromen gaat het domweg niet, “slapend wordt de mens een wakend mens” en “iedere wakkere minuut is een minuut niet geslapen” zei niemand ooit, maar waarom eigenlijk niet, het rolt best lekker van de tong, en feit blijft dat zelfs in gevallen dat we ons helemaal niet moe voelen, we toch echt niet om drie uur ’s nachts uit bed kunnen stappen, wat zouden we nu kunnen ondernemen, de dag begint nog lang niet, we zouden willen dat we zulke bohemiéns waren dat we midden in de nacht aan de dag konden beginnen, maar je bent dertig en hebt je nachtrust nodig…—en net zoals je dus liggend verlangt naar de slaap die voortdurend buiten bereik blijft totdat je ’s ochtends ineens fris en ongedroomd ontwaakt, uren verdwenen in een seconde, je bent toch in slaap gevallen zonder het te merken, waar maak je je toch de hele tijd zo druk over…—zo, ja precies zo arriveert hij, na zijn lange reis, na al zijn ongeduld, na zich, zittend op de ongemakkelijkste treinbank van deze en alle andere werelden, urenlang verveeld te hebben en gebeden te hebben om een spoedig einde aan de reis, Want, oh Hermes en Quetzalcoatl, er staat zoveel op het spel, kan die trein niet sneller, en ik ben vergeten een boek mee te nemen, stom, ik dacht echt dat ik een dun volume met amusante verhalen in mijn jaszak gestoken had maar in de trein beland kwam ik er tot mijn schrik achter dat mijn jaszak enkel stof, een paar stukjes grind en het verfomfaaide, blanco vel van een ongeschreven brief bevatte, dus help mij, alle goden van reizen en wijsheid, bidt hij urenlang, om dan dus toch uiteindelijk plotseling te arriveren, onverwacht, hij moet snel zijn schoenen weer aantrekken (het treint zoveel lekkerder zonder schoenen aan, niemand gelooft hem of mensen vinden het vies, maar we kunnen niet overal rekening mee houden), de trein remt vloekend en hijgend met al zijn kracht – waarom beginnen ze niet eerder met afremmen, denkt hij, maar hij is geen machinist en sommige dingen kun je toch maar beter aan de deskundigen overlaten – en de twintig roodgelakte coupés staan dan zowel eindelijk als sneller dan verwacht stil aan het perron van een groot station in een onbekende stad waar de nacht gevallen is, want waar en wanneer zou een razende trein een gehaaste jongeman anders af kunnen leveren…

~

Geplaatst in De Stad | Een reactie plaatsen

Ik struikel

het was diezelfde droom weer,
de droom dat ik iemand ben
zolang ik maar blijf praten.
mijn been schiet in een spatie,
ik schreeuw snel nog wat woorden
en hef mij op, op klanken
alleen.

de minotaurus balkt koud,
geen stier maar een ezelskop
ie-aat in zijn labyrint
alsof iemand hem verstaat.
angstrust bloedt kloppend in hem—
deze farao van niets
en nooit.

de volgende leegte komt
en ik weet geen woorden meer,
vocabulaire uitgeput.
ik spuw lettergrepen maar
koeterwaals is niet genoeg
een stilte die niet gevuld
kan worden.

~

Geplaatst in Een Gedicht | Een reactie plaatsen

ALSO ALONE IN BERLIN 🇬🇧

A barefoot man runs by as if he’s trying to catch the bus. His pink, loose trousers flapping like the flag of a country that never existed.

Here and there the rotten sidewalk has been repaired with fresh asphalt. Black wound effluvium, blacker than the cobbles, blacker than the rubbish.

The balcony is warm. I’ve cast my shoes aside and I’m reading a book that jumpstarts my brain. So many things are so dull. So many things are so very brilliant. My legs are up, my toes are braided into the metal railing. I’m drinking beer that I know very well but it tastes novel.

I can hear church bells not too far off, on a Friday—what could they be announcing? From some other corner, the Islamic call to prayer (I wish I could remember what that’s called) cuts through the chiming. The bells have lost their monopoly long ago. A man is chanting words on a rhythm that is unfamiliar to my ears.

A giant rose blooms, painted on the blind, soft-yellow wall of a high-rise. Just that image: a rose, with some stripes around it, like beams of light. Like traces of an explosion. Sometimes, things don’t have to signify.

There are so many sounds—a motorbike making a wonderful amount of noise, kids on the square playing at the angel statue, some lazy seagulls that surely have something better to do…—but still, there is a kind of silence over the city. Over me. A kind of calm.

I feel… peaceful. What a bullshit word. More peaceful that I have felt in a long time. The word “home” has never really meant anything to me.

~

Geplaatst in English 🇬🇧 | Getagged , | Een reactie plaatsen

OOK ALLEEN IN BERLIJN

Een man op blote voeten rent langs alsof hij een bus moet halen. Zijn dunne, roze broek wappert als de vlag van een land dat nooit bestaan heeft.

De verrotte stoep is hier en daar gerepareerd met vers asfalt. Zwart wondvocht, zwarter dan de straatstenen, zwarter dan het vuilnis.

Het is warm op het balkon. Ik heb mijn schoenen terzijde geworpen en lees een boek dat mijn brein aanzwengelt. Zoveel in de wereld is saai. Zoveel in de wereld is prachtig. Ik heb mijn benen omhoog, mijn tenen in de metalen reling gevlochten. Ik drink bekend bier maar het smaakt nieuw.

In de verte hoor ik kerkklokken, op een vrijdag – wat zouden ze aankondigen? Vanuit een andere hoek wordt het klokgelui nu doorsteden door de islamitische oproep tot het gebed (ik wou dat ik de term daarvoor kon onthouden). De klokken hebben hier al lang geen monopolie meer. Een man zingt woorden op een ritme dat mij vreemd is.

Op de blinde, zachtgele muur van een flatgebouw is een reusachtige roos geschilderd, bloeiend. Alleen dat: een roos, met wat strepen eromheen, als lichtstralen. Als sporen van een explosie. Soms hoeven dingen helemaal niks te zeggen.

Ik hoor zo veel geluiden – nu een motorfiets die lekker lawaai maakt, kinderen die op het plein bij het standbeeld van een engel spelen, een paar luie meeuwen die toch wel iets beters te doen hebben… – maar toch ligt er een stilte over de stad. Over mij. Een rust.

Ik voel me… vredig. Wat een kutwoord. Vrediger dan ik me in lange tijd gevoeld heb. Het woord “thuis” heeft voor mij nooit echt iets betekend.

~

Geplaatst in De Stad | Getagged , | Een reactie plaatsen

Deus Ex Machina

Ik ben zeer & verrekte trots te mogen melden dat het Vlaamse tijdschrift Deus Ex Machina dit kwartaal een kort verhaal van mij publiceert, in nummer 161: Verboden Boeken. De titel van het verhaal is misschien wel de beste die ik ooit verzonnen heb, omdat het de titel van bijna ieder verhaal zou kunnen zijn: “Er is geen enkele reden om aan te nemen dat dit een goede afloop zal hebben.”
(Ook volg ik in de inhoudsopgave direct op Kurt Vonnegut – en dat is toch ook best wel cool.)
Geïnteresseerden kunnen het blad kopen op http://deusexmachina.be/bestel/ en bij verkooppunten (zoals Athenaeum Amsterdam)

Geplaatst in Voor Vandaag | Een reactie plaatsen

Wij zoeken teleurstellingen met een metaaldetector

Ik heb altijd al een beetje brak
—maar niet te veel
niet
te pijnlijk—
door de tombestraten van Venetië
willen zwerven
stilstaand water dik als middeleeuwen,
ver weg
van afgestofte plakkerigheid, van
bolronde duiven,
zwerven
langs een kerk bespikkeld met dode
ramen
regenboogdof
vuurwerkgemoffel
rapsodisch mompelen
(verstikkende geur van heiligheid)
(dode stank van heiligheid).

Ik zou verdwaald willen zijn zonder uitzicht
op de gevel van de San Marco
of op welke kant
van een gevleugelde leeuw
dan ook.

Ik wou dat ik in Portugal liep, zonnige
klimmende
Lissabontunnels
en in Alfama mijn toevlucht kon zoeken om,
schuin in een permanent zon-nu
zonder toekomst of gewicht
—maar
ook niet afwezig,
ook niet
aflatend—
aan een tafeltje met daarop een keramieken
asbak
te zitten
en met verhalen te schuiven tot
ik een volgorde gevonden heb
structuur
ritme
(stop, in mijn borstkas is
geen ruimte meer)
een volgorde waar ik tevreden mee zal zijn
al weten we
en voelen we
en verkondigen we
dat
tevredenheid een gebrek aan ambitie is
en ieder resultaat zal dus ofwel
onvolmaakt
ofwel
teleurstellend
zijn.

Te wandelen in Venetië alsof ik
niet meer besta,
net als de stenen en
het water,
te werken in Alfama, een terras
gekanteld tegen de heuvel,
tot ik eindelijk
gefaald heb,
onbevredigd blijf,
of in slaap val.

~

[afbeelding: All the Dead Cats of Civilisation—CCQA 2017, assemblage]

Geplaatst in Een Gedicht | Een reactie plaatsen

Taalarmoede

Opperste wreedheid

Wat is het woord voor die bijzondere, in zichzelf besloten vorm van wanhoop die als een helm op je hoofd gedrukt wordt als de zon op begint te komen op een lentedag die je zonder veel vertrouwen tegemoet ziet? Hier in de trein is het donker, maar dáár, boven die lage bergen die nog zwart afsteken tegen de aarzelende dag, dáár kleurt het nu langzaam geel en zonsperen prikken door de ruit en ergens in mijn borstkas opent zich een donker gat.

En ik begrijp ineens met een mateloos empathisch inzicht het fenomeen dat in landen waar de zon maandenlang nauwelijks verschijnt de zelfmoordcijfers niet pieken in het hart van de winter, in het blinde oog van de wereldnacht, maar juist aan het begin van de lente, want als de daadwerkelijkheid er weer iets beter uit begint te zien worden de hulpelozen en reddelozen die zich nog geen spatje beter voelen gedwongen te onderkennen dat het niet de duisternis en de kou waren die hen tot hun mentale misère dreven, maar hun eigenste binnenste zelf. Voor de lijdenaars is de terugkeer van het licht een oordeel, een vonnis, en als de leugens die jou door de winter gesleept hebben niet meer houdbaar blijken, zal de waarheid je van jezelf verlossen.

En dus als de zon zo pesterig, zo onwelwillend magertjes, zo zwaardkoud boven de kim komt kijken, besef ik dat de nacht niets met het draaien van de aarde te maken heeft maar iets is dat uit de kern komt, mijn eigen kern of de kern van de planeet. Misschien is de nacht wel de meest natuurlijke toestand—een romantisch sentiment dat ons verkreupelt maar waar domweg niet meer aan te ontkomen valt.

De hemel vlamt nu wreed blauw en oranje, en binnen in de kern wordt het niet lichter…

Wat is daar het woord voor? Hoe kunnen we ooit hopen dit te overleven als we er met taal niet aan kunnen raken? Wat zal ons nog redden?

~

Geplaatst in Wanhoop | Een reactie plaatsen