Een nieuwe kroeg

Op zondagavond vertelde Rodolfo me over een nieuwe kroeg, of niet echt een nieuwe kroeg, maar een kroeg waar wij nog nooit geweest waren, een kroeg waar we op één of andere mystieke manier van voodoo en spirituele camouflage zelfs nog nooit van gehoord hadden—wij! WIJ! stamgasten van elke sfeervolle bar, ruim geopende avondwinkel en matig interessante stoep van deze stad, ja, zelfs voor sommige viaducten haalden wij onze neuzen niet op.
Ik kwam direct overeind en begon mijn jas aan te trekken, deze fabelachtige nooit-geziene herberg moest ik zien!, maar Rodolfo liet direct alle lucht uit mijn springkussen weglopen met een nonchalant Ze zijn op zondag niet open. Mijn lijf werd op mijn stoel gedumpt als een visnet vol ziekige, magere vangst op het dek van een maar net niet zinkend schip.
Laten we volgende week gaan, zei Rodolfo.
Of morgen, antwoordde ik, We kunnen ook mórgen gaan.
Nee man, ik kan de hele week niet. Zaterdag?
Oké, zei ik teleurgesteld, nu erg ontevreden met het café waar we zaten, Dan gaan we zaterdag wel.

De hele week voelde ik een kriebel in mijn maag, een opstijgend gevoel onder mijn longen als ik aan die onbekende kroeg dacht. Als ik niet zo veel dronk had ik er dorst van gekregen. Ik zat dan bijvoorbeeld bij Het Fort van een borrel te genieten en dacht, Er is een kroeg die ik niet ken! en dan bekroop een benauwdheid mij, de benauwdheid van een jonge liefde of van tentamens die over vijf minuten beginnen. Het was alsof iemand een geneesmiddel tegen dementie of een oplossing voor nadenken had gevonden, en ik was de enige die het wist. Ondraaglijk.
Donderdagavond stuurde ik Rodolfo een berichtje om het adres te vragen van de kroeg zat waar we elkaar zaterdag zouden treffen, We zien elkaar dan daar wel, schreef ik, en zodra hij het adres sms’te pakte ik mijn portemonnee en sigaretten en haastte ik me naar dit onvermoede Shangri-La, dit verborgen Utopia, deze paragon van goddelijke dorstlessendheid. De lantaarnpalen gingen net aan toen ik de deur openduwde, de wereld wilde mijn triomftocht bijschijnen. Ik wachtte een paar minuten op de tram maar toen die vertraagd werd begon ik te lopen, te snelwandelen, ja, misschien zelfs wel te hollen.
Ik kende dit pleintje, ik wandelde hier zo vaak maar die ene deur tussen de wildgroeiende sluier van klimop was me nooit opgevallen. De deur was zwaar en het koperen handvat groen gevlekt. Dit begon al goed.
De bar zelf was vies donker, de onhelderheid van verwaarloosde aquariums. De muren was versierd met de allerhandige rommel die je alleen op een rommelmarkt van ontoerekeningsvatbare nomaden uit de retro-toekomst zou kunnen vinden. Opgezette vogels, zwartgeverfde neonwoorden, ingelijste foto’s van elektrische-stoel-executies, porseleinen poppen in okergele jurkjes, schedels van plastic of onze verste voorouders, een oude atlas als door een bibliofiele of juist bibliofobe vlinderverzamelaar met een spijkerpistool aan de muur genageld (Angola prachtig giftig groen, maar wat is dat land dat Opper-Volta heet?), kleine flesjes gevuld met veelkleurig zand, op een kastje vol goedkope dichtbundels staat een koffertje dat volgegoten is met bandloze horloges en kleine kompassen—alle geven een andere tijd of richting aan en dit is dus een kroeg waar men kan verdwalen en onbezorgd oud kan worden.
Het was als drinken in een van de dozen van Joseph Cornell.
Ik moest even een brok in mijn keel wegslikken, Al die verspilde nachten dat ik niet hier was, en ik baande me een weg door de jongelingen en andere ervaringslozen die onmogelijk in konden zien wat voor geluk ze hadden deze plek gevonden te hebben, terwijl ik door jaren ellende zo murw was geworden en tegelijk zo poreus en tegelijk zo ondoordringbaar dat ik erg mijn best moest doen niet cynisch naar de kroeg te kijken. Als dit een hippe bedoening was, dan was ik maar hip. En ik zou hier nog steeds te vinden zijn nadat het al lang niet meer trendy was. Uiteindelijk vond ik de bar waar nog een kruk vrij was, waar ik niet meer van zou wijken tot de Vier Ruiters me persoonlijk het goede nieuws van het einde van de wereld kwamen brengen.
Ik bestelde een Old Fashioned (zonder kers, alsjeblieft!), stak een peuk op en keek overrompeld door een indringend soort tevredenheid om me heen. Toen ik mijn tweede drankje aanpakte zag ik door het deinende woud van jongelingen Rodolfo verschijnen, hij droeg een junglehelm en hakte lianen en ledematen weg met zijn machete. Hij had een grijns op zijn gezicht en middelvinger sprong omhoog uit de vuist die hij als een revolver naast zijn heup hield. Er kwam net een kruk vrij en Rodolfo ging naast me zitten.
Wat een aars ben jij ook, zei hij terwijl hij mijn Old Fashioned proefde en naar de barvrouw gebaarde, Wat een aars. Ik wist wel dat je niet tot zaterdag zou wachten.
Ik had eigenlijk gedacht, zei ik, Dat jij hier eerder zou zijn dan ik.
Ik heb mijn best gedaan, zei hij.
Moet jij morgen niet werken?
We moeten morgen zoveel, waarom zouden we daar nu al mee bezig zijn?
Rodolfo kreeg zijn drankje en we proostten op de eeuwige nacht.

~

  • afbeelding: CCQA. Dionysian Priest Greeting the Unexpected Appearance of Apollo in the Morning Mountains, and Susan (collage 2019, 15,9 x 15,9 cm)

Geplaatst in Voor Vandaag | Een reactie plaatsen

Onderweg

Ik legde deel drie van het Verzameld Werk van Pierre Menard toch maar weer weg omdat ik licht bepakt op reis wilde zijn. Ik bleef maar drie nachten logeren, en ik moest onderweg vier keer overstappen, of vijf, ik hoopte maar dat ik het goed genoteerd had. Het zou dus erg helpen niet te veel bagage mee te hoeven dragen. Negenhonderd pagina’s—nee, dank u…
Maar wat te lezen?
Er was haast bij, dus ik pakte snel twee of drie dunne verhalenbundels waar ik nog niet aan toe was gekomen, en toch ook maar die bloemlezing van Kroatische dadaïsten met de rare titel God en Bog, en de geschiedenis van politieke experimenten van Leonadirae Paad, en ik wilde dat fotoboek van Jean Vigo ook eindelijk wel eens doorbladeren, oh: de Baskische gedichten van Ivézar, natuurlijk, en ik had ook nog geen tijd gehad de essays van Chris Marker te lezen. En… Vloekend holde de trap naar de kelder af om een extra koffer te pakken. Mijn trein ging over twintig minuten.


Geplaatst in Voor Vandaag | Een reactie plaatsen

De sterkste toetsen dragen de zwaarste lasten

Oh, mijn springveren zijn zo moe
—Daniil Charms

Ik wilde zo graag iets typen, de inspiratie en de drang en het donkere gevoel van onvermijdelijkheid waren overweldigend, pijnlijk zelfs, maar de schrijfmachine werkte niet meer. Ik besloot het probleem eerst mechanisch aan te pakken: met de verve die mij zo eigen is heb ik het ding helemaal ontmanteld en weer in elkaar gezet. Het hielp niks en na al mijn inspanningen zat ik met een onfunctioneel apparaat, alsook met drie schroefjes die nergens vandaan leken te komen en één losse toets met een vreemd symbool dat mij eerder niet was opgevallen: ᚠ. Wat een ellende.
Ik heb een tijdje op het probleem gekauwd, maar de letter bleek niet geschikt voor menselijke consumptie—een euvel dat godzijdank met één kordate auto-heimlichmanoeuvre weer verholpen was. De schroefjes heb ik ’s nachts in het plantsoen begraven, de maan is mijn enige getuige.
Mijn tweede reparatiepoging was politiek van aard. Ik heb diverse commissies en werkgroepen gevormd en een heel aantal vergaderingen belegd. Het duurde even voordat er een voorzitter en een secretaris gekozen waren, en er was een heel gedoe met de notulen, maar na een tijdje liep alles op rolletjes. Ik heb met mezelf een hoop stroperige compromissen bereikt, maar de typmachine bleef volharden in zijn disfunctie.
Uiteindelijk wendde ik mij voor een oplossing tot het spirituele domein. Ik heb gebeden, gedanst, gezongen, gevloekt en bezweringen gefluisterd. Bij de dierenwinkel wilden ze me geen slangen meegeven – Maar het is een ‘patafysisch noodgeval, heb je nog nooit Jarry gelezen?! – waardoor ik me gedwongen zag een zak half-ontdooide tilapiafilets te offeren op mijn altaartje van sprokkelhout. Vruchteloos, oh zo vruchteloos.

Gefrustreerd en de wanhoop nabij ging ik laat op de avond de deur uit waar de wolkige draden kwallen EXPLOSIES van wierook en hasj uit mijn geest geveegd werden door de omhelzing van de frisse stadslucht. Na een paar kwartier trappen door de schaduwen die zich als herfstbladeren in een nette cirkel rond iedere lantaarnpaal gedrapeerd hadden, moest ik snel even een steegje induiken om leunend tegen de klamme muur de straatstenen te bewonderen. Queesten, moest ik blijven herhalen, Zijn nooit gemakkelijk. Nu mijn misselijkheid wat bedaard was keek ik om mij heen en mijn blik kruiste die van een aardige man die zich met een binnenstebuiten gekeerde boodschappentas in iedere hand hard maakte voor recycling. Een urbane guerrilla! Hij hoorde welwillend mijn klaaglitanie aan en speelde het klaar aan het einde van mijn verzuchtingen een wonder te verrichten: ‘Ik ben typmachinemonteur,’ zei hij.
Mijn adem stokte in mijn keel. Had mijn tilapiaoffer dan toch gewerkt? Blijkbaar wel… Slangen, vissen, vogels—als het maar schubben heeft! Ik moest echter praktisch blijven.
Wat is uw uurtarief?’ vroeg ik.
‘Zevenhonderdzesennegentig euro,’ zei hij, ‘en ik bereken geen voorstrompelkosten.’
‘Wat een aanbod!’ kirde ik. ‘Het universum is weer met mij!’De monteur knikte ernstig, zijn vierkante hoofd ingekaderd door een witte franje waarin hoofdhaar en baard niet meer van elkaar te onderscheiden waren. Hij zei: ‘Het universum is met ons allen. Het heeft daarin verrassend weinig te kiezen.’
Ik stelde mezelf voor. Hij zei dat hij Vissenis heette, of iets dergelijks, hij mompelde en ik luisterde niet, ik was alweer bezig met alle boodschappenlijstjes en boze brieven die ik zou kunnen schrijven. ‘Wanneer kunt u langskomen?’ vroeg ik.
Hij sloeg zijn lange jas open. Aan de binnenkant was een lang vel papier met veiligheidsspelden aan de stof bevestigd. Het papier was bekrast met talloze getallen, pijlen, uitroeptekens en onderstrepingen. ‘Morgen,’ zei Vissenis, ‘of overmorgen. Het hangt allemaal van de stromen af, van de stromen en de drooggevallen kanalen die jij straten noemt, en ook van het door motten aangevreten verduisteringsgordijn dat jij als de sterrenhemel kent.’
Dat klonk heel redelijk, zei ik. ‘Het is zelfs geweldig. Dank u.’
Hij neeg zijn hoofde en staarde in de verte. Ik keek met hem mee maar zag niks, alleen een versteend verkeersongeluk op een zebrapad, er lagen twee kinderen onder een auto en er was nog geen ambulance verschenen. Vissenis fluisterde iets, alsof hij het tegen zijn vroegere zelf had, of tegen iemand die op zijn schouder zat. Het klonk als ‘…betekent donkerte, altijd en overal.’ Ik besloot er geen aandacht aan te besteden.
Omdat het probleem mij niet eenvoudig op te lossen lijkt, heb ik Vissenis direct twee uur vooruit betaald. Toen ik de biljetten overhandigde glinsterde er iets van verbijstering in zijn ogen. Typmachinemonteurs zijn vast een erg sereen, cerebraal volk dat weinig waarde aan geld hecht. Hij heeft beloofd vandaag of morgen of volgende week of in elk geval voor de herfst langs te komen, mét btw-factuur voor de reeds voldane bedragen, natuurlijk.

Ik ben zo benieuwd.

~

  • afbeelding: CCQA. O, My Springs Are So Damn Tired (collage 2017, afmetingen variabel)
  • Het motto komt uit Daniil Charms’ toneelstuk Elisabeth Bam (1928), 216. vert. Yolanda Bloemen & Marja Wiebes, in: Ik zat op het dak (Amsterdam: Atlas, 2002). 199-228.
Geplaatst in Breuken/Flitsen | Een reactie plaatsen

We gaan niet meer naar zee

En toen in het najaar de eerste graven door de aanzwellende vloedlijn opengepeuterd werden, kregen de kinderen door dat het toch niet zo’n goed idee was om lichamen op het strand te begraven. Maar toen – om het mantra van het menselijk project er maar weer eens bij te halen – was het al te laat.

~

Geplaatst in Breuken/Flitsen | Een reactie plaatsen

Sint Sebastiaan

En na lange tijd dook ik weer op uit mijn verwarde gedachten en keek naar de reproductie van een middeleeuws schilderij dat boven de bar hing, naast de kast met de vierenveertig flessen whisky, een schilderij waarop Sint Sebastiaan doorboord met pijlen naar de schilder staart, of naar de God die hem niet wil laten sterven maar hem, bange Sebastiaan, als teken of bewijs van zijn zaligheid in leven houdt, hem dwingt in leven te blijven, Sebastiaan loert naar de christelijke god of zijn eigen idee, zijn voorstelling van die god, en zijn blik vervloekt Hem, ja, verafschuwt de god die hem op aarde wil houden. Of is het de blik van aanvaarding, de berusting van de met pijlen geheiligde soldaat die we in de hagiografieën lezen? Een blik van overweldigende paniek, de paniek van het besef dat je, in tegenspraak met de beginselen van de kerk, alleen bent, altijd al alleen bent geweest. Misschien, zeg ik maar omdat ik hem niet tegen wil spreken, Misschien is dat zo, zeg ik, en ik zeg niet hardop dat ik het schilderij opwindend vind, want ik zie opwinding in Sint Sebastiaans blik, seksuele en spirituele en morele en historische lust, ik zie de ongrijpbare erotiek van pijn, lijden, volhouden, de aantrekking van het onvatbare, de pijlen zegenen de heilige, elke pijl die zich niet chirurgisch, nee, zeker niet chirurgisch maar met verblindend geweld in zijn lichaam dringt, elke pijl verhoogt zijn goedheid, zet zijn zaligheid dikker aan, wat hij in zijn leven ook uitgespookt mag hebben, het is hem nu vergeven, nee: het wordt hem nu vergeven, hij hoeft alleen maar deze marteling te doorstaan—zo wordt men tenslotte martelaar. Of is het juist andersom, vraag ik me ineens af, Is het niet uit geweld geboren superioriteit die we hier zien, maar toch een uitsluitend menselijke verrukking die ontstaat en versterkt wordt door ieder van de pijlpunten die – ineens! – Sebastiaans einde zou kunnen betekenen, maar die hem in plaats daarvan stuk voor stuk zeggen, Je leeft nog, je bent nog steeds niet dood, je leeft nog!, de dood komt waarschijnlijk heel gauw maar is er nog niet, de dood is er nog niet!, blijf ademen, gewoon blijven ademen, het is opwinding, de extase, de trance van een man die zich niet dood weet, een man die altijd had gedacht dat hij liever snel om het leven gebracht zou worden dan ook maar een moment pijn te moeten doorstaan, en nu pas beseft (maar hoe zou hij zich dat ook eerder hebben kunnen realiseren?) dat iedere seconde van Zijn immens is, onmetelijker dan het Niet-Zijn dat zich alzijdig uit zal strekken en dat hij daarom niet wil dat de pijn ophoudt, laat de pijn alstublieft voortduren! Zijn Romeinse beulen jagen verbijsterd pijl na pijl door zijn vlees, vragen zich af hoe dit mogelijk is, welke goden deze onbeduidende legionair zo beschermen of zo straffen, ze vragen zich af of dit niet te ver gaat, misschien moeten ze hem maar gewoon onthoofden, maar Sint Sebastiaan smeekt door zijn samengeperste kaken om meer, méér!, Laat dit nooit ophouden, God, duivel, keizer, willekeur, pijn—ja, ik aanbid de pijn, ik leg mijn lot en bestaan in de geklauwde handen van de pijn, want alles is beter dan de leegte…

Sint Sebastiaan hangt aan de muur, voor altijd doorboord, voor altijd nog niet dood.

~

Geplaatst in Extase | Een reactie plaatsen

REMBRANDT BEGRIJPEN

Ik zat gisteravond in een kroeg met een vriend – laten we hem C. noemen – te drinken en te praten terwijl ik eigenlijk op bed wilde, we waren al drie dagen aan het praten en het drinken, maar zo vaak kwam ik ook niet in de stad, en hoewel ik kapot was en bang dat ik niet veel interessante dingen meer te delen had, zei ik na het eten zelf, Zullen we nog even naar Noortje om wat te drinken?, zo’n vraag die je mond al verlaten heeft voordat je eigenlijk weet wat je gaat zeggen en of wat je gaat zeggen overeenkomt met wat je wilt.
We hadden nu al vier rondjes gehad en het einde was nog niet in zicht, ik wist niet hoe ik op de rem moest trappen, ondanks die doffe hoofdpijn van vermoeidheid en droge katers overgoten met nieuwe alcohol die ook weer opdroogde en zo door en door. C. bestelde telkens hetzelfde als ik, wat tegelijk irritant en vertederend was. C. is een kunstschilder. Ik ben geen groot kunstkenner, maar wel een liefhebber (wie geen liefhebber van kunst is, heeft nog niet genoeg kunst gezien) en zoals altijd trok de zwaartekracht van het gebrek aan nieuwe onderwerpen ons naar schilderkunst. C. bewondert vooral heel klassieke kunstenaars, de donkere Spanjaarden en de Italiaanse frescoschilders, Hollandse meesters en Duitse romantici, bijna zonder uitzondering kunstenaars die ik zelf minder interessant vind, maar ik kon doen alsof ik ze interessant vond, want praten is zalig, zelfs als je niet helemaal meent wat je zegt.
En ik zei dat Rembrandt om licht draaide, chiaroscuro, de caravaggioëske lichtval op een monnikskap, een bende opgeschoten schutters, een baby die om obscure redenen door een roofvogel gestolen wordt, wat was daar ook alweer aan de hand?—al die uitgelichte figuren in hun cellen van bruin en zwart…
En hij onderbrak me en zei dat ik niks van Rembrandt begreep, Ja, Caravaggio gaat om licht en daarom zijn zijn onderwerpen doods, briljant uitgevoerde lichtval op lijkwades, alles grafmaskers, nepmensen nauwelijks geanimeerd door explosies van goud. Hij zei dat Caravaggio een prutser was, en ook nog eens onsportief, een slechte verliezer, als we de geruchten over de fatale tenniswedstrijd moesten geloven, en ik had geen idee waar hij het over had maar liet hem praten.

Rembrandts werken, zei hij, Beelden geen levende doden af maar gaan over de dood zelf, over de dood en het leven en over eenzaamheid.
En ik protesteerde, Dat zeg jij over alles.
En hij antwoordde, Ja, omdat alles nou eenmaal over eenzaamheid gaat. Wil je mij daar de schuld van geven?
En ik lachte, half schamper, half geamuseerd en bestelde nog een whiskey sour. Hij bestelde hetzelfde.

~

Geplaatst in De Stad | Een reactie plaatsen

De kastanjekinderen

De boom laat zijn kastanjes vallen, schudt ze enthousiast van zijn takken, Vlieg, mijn kinderen, gaat voort!, want de boom weet niet dat de straat onder hem geasfalteerd is. Hoe zou hij dat kunnen weten?

Tok, zijn kroost rolt nergens naartoe en wordt diezelfde dag nog, misschien morgen, vertrapt door schoenen die het ook zo kwaad niet bedoelen, of door mensenkinderen mee naar huis genomen, waar lange houten prikkers wachten. Nee, een toekomst zit er voor hen niet in. De kastanje weet van niks en doet het ieder jaar vrolijk weer. Tok.

~

Geplaatst in Breuken/Flitsen | 1 reactie

Op de toppen en in de dalen

Daarop grinnikte ze voor het eerst die avond en ze ging iets rechterop zitten. ‘Die uitdrukking heb ik al lang niet meer gehoord. “Hij gaat de bergen in” was vroeger in deze streek een uitdrukking om aan te geven dat iemand een moeilijke beslissing te nemen had, omdat de mannen in deze regio – en natuurlijk alleen de mannen – in hun eentje of met een vertrouweling door de bergen wandelden als ze worstelden met familieproblemen of financiële vragen, of met huwelijksaanzoeken voor hun dochters die ze geen van alle aan de opgeschoten kerels van het dorp af wilden staan, maar ach, trouwen moesten ze toch een keertje, dus waarom niet nu?

Niemand wist wanneer dit gebruik was begonnen, maar iedereen was het erover eens dat het oud en traditioneel was en daarmee goed en gepast.

En als er een belangrijk geschil was over vee of land of kaprechten, iets waar ze het hof van de plaatselijke prins niet mee lastig wilden vallen en waar de deken van de parochie zich niet mee te bemoeien had (van zulke dingen hadden geestelijken immers geen verstand, of ze hadden er in elk geval niks mee te maken), dan togen de ouderen en herenboeren en lagere magistraten ’s ochtends vroeg in een lange rij het woud in, en door het woud bereikten ze het gebergte, en ze liepen niet over de smalle paden recht omhoog naar de koudste richels maar slenterden door de milde passen waar een mens nog eens een goed gesprek kon voeren zonder bang te hoeven zijn uit te glijden en dan stortend in een ravijn vier of vijf seconden te hebben om over zijn falen en verdriet na te denken. Met hun hoog opgetrokken sokken en hun opgepoetste wandelstokken stapten de mannen door de bergen, en wanneer ze terugkeerden was er een besluit genomen, altijd unaniem, of in elk geval werd er over onenigheden niet gerept—daar waren de bergen tenslotte voor.

De vrouwen die met hun mouwen opgestroopt en doeken om het voorhoofd gebonden de mannen in de vroege avond eensgezind terug zagen keren, stootten elkaar aan en riepen dan schertsend dat de kerels vast geen berg hadden gezien, maar een fust bier en wat flessen brandewijn in het bos hadden verstopt en de hele dag als vrijgezellen hadden zitten zuipen. Dan lachten ze hard en het gelach steeg op als een wolk van vlinders en de vlinders fladderden rond de hoofden van de beledigde mannen, die stoïcijns zwegen en voor zich uit keken, maar ieder dacht stiekem in zichzelf dat dat een veel beter idee was geweest.’

~

Geplaatst in Herinneringen | Een reactie plaatsen

Verveling/De walging

De man snuit zijn neus in zijn geblokte overhemd met korte mouwen. Nee, hij dráágt een geblokt overhemd met korte mouwen, hij snuit zijn neus er niet in. Getver.

De man in het geblokte overhemd met korte mouwen snuit zijn neus in een wegwerpzakdoekje, speciaal en uitsluitend voor dat doel ontworpen.

Zijn vrouw – of een vrouw – staat precies één meter en achtenveertig centimeter achter hem, haar rug naar de man gedraaid, haar ogen op de straat gericht (of heeft ze haar ogen gesloten?) alsof niks in dit leven haar meer pijnigt dan hém zijn neus te moeten horen snuiten in een papieren zakdoekje. En dan die saaie overhemden die hij altijd draagt!

~

Geplaatst in Breuken/Flitsen | Een reactie plaatsen

Dream Brother

Oh, toch te zeggen, Alles kan naar de pleuris lopen (zeggen mensen nog pleuris?), ik ga er vandoor, en dan de deur uit te lopen zonder je jas en je rugzak te pakken, een sigaret te bietsen bij de eerste jonge kerel in een leren jas die je ziet (je hebt nog nooit gerookt, maar iedere ochtend weer een nieuwe dag, toch?) en dan genietend puffend als een filmster uit de jaren zestig de straat afstruinen, niet op zoek naar iets en niet onderweg naar iets: de rust en gerichtheid zelve: iedereen kan zien dat jouw leven ergens naartoe gaat, dat het allemaal ergens toe dient en niet alleen gedaan wordt om de dag door te komen en de huur en je internetabonnement te betalen, nee nee meneer! hier zijn grote dingen gaande—ach, toch door de stad te wandelen, luidkeels aan te kondigen dat je een revolutie gaat ontketenen, of dat alle revoluties dood zijn, door vijvers te rennen terwijl niemand kijkt, op een stoepje te hangen en nergens heen te hoeven, in een donker café aan de bar te zitten en gesprekken te voeren met mensen die nog eens iets beleefd hebben, en jij praat mee want ook jij hebt dingen beleefd, je leven is dan misschien geen erepodium maar je hoort er gewoon bij, zeker nu want je bent – middelvinger hoog opgestoken – gewoon uit je pasteltinterige kooi weggelopen en wat ze ook zeggen en met wat voor bezwaren of adviezen ze ook aan zullen komen (intelligente opmerkingen over verantwoordelijkheden en beloftes en rekeningen), terug ga je niet, no sir, de bruggen zijn afgefikt en over de weg liggen verkoolde bomen, vrij ja vrij ja vrij…

Wat zeg je? Oh ja, shit, sorry: Wie is er aan de beurt?

~

Geplaatst in Breuken/Flitsen, De Stad | Een reactie plaatsen