ALSO ALONE IN BERLIN 🇬🇧

A barefoot man runs by as if he’s trying to catch the bus. His pink, loose trousers flapping like the flag of a country that never existed.

Here and there the rotten sidewalk has been repaired with fresh asphalt. Black wound effluvium, blacker than the cobbles, blacker than the rubbish.

The balcony is warm. I’ve cast my shoes aside and I’m reading a book that jumpstarts my brain. So many things are so dull. So many things are so very brilliant. My legs are up, my toes are braided into the metal railing. I’m drinking beer that I know very well but it tastes novel.

I can hear church bells not too far off, on a Friday—what could they be announcing? From some other corner, the Islamic call to prayer (I wish I could remember what that’s called) cuts through the chiming. The bells have lost their monopoly long ago. A man is chanting words on a rhythm that is unfamiliar to my ears.

A giant rose blooms, painted on the blind, soft-yellow wall of a high-rise. Just that image: a rose, with some stripes around it, like beams of light. Like traces of an explosion. Sometimes, things don’t have to signify.

There are so many sounds—a motorbike making a wonderful amount of noise, kids on the square playing at the angel statue, some lazy seagulls that surely have something better to do…—but still, there is a kind of silence over the city. Over me. A kind of calm.

I feel… peaceful. What a bullshit word. More peaceful that I have felt in a long time. The word “home” has never really meant anything to me.

~

Geplaatst in English 🇬🇧 | Getagged , | Een reactie plaatsen

OOK ALLEEN IN BERLIJN

Een man op blote voeten rent langs alsof hij een bus moet halen. Zijn dunne, roze broek wappert als de vlag van een land dat nooit bestaan heeft.

De verrotte stoep is hier en daar gerepareerd met vers asfalt. Zwart wondvocht, zwarter dan de straatstenen, zwarter dan het vuilnis.

Het is warm op het balkon. Ik heb mijn schoenen terzijde geworpen en lees een boek dat mijn brein aanzwengelt. Zoveel in de wereld is saai. Zoveel in de wereld is prachtig. Ik heb mijn benen omhoog, mijn tenen in de metalen reling gevlochten. Ik drink bekend bier maar het smaakt nieuw.

In de verte hoor ik kerkklokken, op een vrijdag – wat zouden ze aankondigen? Vanuit een andere hoek wordt het klokgelui nu doorsteden door de islamitische oproep tot het gebed (ik wou dat ik de term daarvoor kon onthouden). De klokken hebben hier al lang geen monopolie meer. Een man zingt woorden op een ritme dat mij vreemd is.

Op de blinde, zachtgele muur van een flatgebouw is een reusachtige roos geschilderd, bloeiend. Alleen dat: een roos, met wat strepen eromheen, als lichtstralen. Als sporen van een explosie. Soms hoeven dingen helemaal niks te zeggen.

Ik hoor zo veel geluiden – nu een motorfiets die lekker lawaai maakt, kinderen die op het plein bij het standbeeld van een engel spelen, een paar luie meeuwen die toch wel iets beters te doen hebben… – maar toch ligt er een stilte over de stad. Over mij. Een rust.

Ik voel me… vredig. Wat een kutwoord. Vrediger dan ik me in lange tijd gevoeld heb. Het woord “thuis” heeft voor mij nooit echt iets betekend.

~

Geplaatst in De Stad | Getagged , | Een reactie plaatsen

Deus Ex Machina

Ik ben zeer & verrekte trots te mogen melden dat het Vlaamse tijdschrift Deus Ex Machina dit kwartaal een kort verhaal van mij publiceert, in nummer 161: Verboden Boeken. De titel van het verhaal is misschien wel de beste die ik ooit verzonnen heb, omdat het de titel van bijna ieder verhaal zou kunnen zijn: “Er is geen enkele reden om aan te nemen dat dit een goede afloop zal hebben.”
(Ook volg ik in de inhoudsopgave direct op Kurt Vonnegut – en dat is toch ook best wel cool.)
Geïnteresseerden kunnen het blad kopen op http://deusexmachina.be/bestel/ en bij verkooppunten (zoals Athenaeum Amsterdam)

Geplaatst in Voor Vandaag | Een reactie plaatsen

Wij zoeken teleurstellingen met een metaaldetector

Ik heb altijd al een beetje brak
—maar niet te veel
niet
te pijnlijk—
door de tombestraten van Venetië
willen zwerven
stilstaand water dik als middeleeuwen,
ver weg
van afgestofte plakkerigheid, van
bolronde duiven,
zwerven
langs een kerk bespikkeld met dode
ramen
regenboogdof
vuurwerkgemoffel
rapsodisch mompelen
(verstikkende geur van heiligheid)
(dode stank van heiligheid).

Ik zou verdwaald willen zijn zonder uitzicht
op de gevel van de San Marco
of op welke kant
van een gevleugelde leeuw
dan ook.

Ik wou dat ik in Portugal liep, zonnige
klimmende
Lissabontunnels
en in Alfama mijn toevlucht kon zoeken om,
schuin in een permanent zon-nu
zonder toekomst of gewicht
—maar
ook niet afwezig,
ook niet
aflatend—
aan een tafeltje met daarop een keramieken
asbak
te zitten
en met verhalen te schuiven tot
ik een volgorde gevonden heb
structuur
ritme
(stop, in mijn borstkas is
geen ruimte meer)
een volgorde waar ik tevreden mee zal zijn
al weten we
en voelen we
en verkondigen we
dat
tevredenheid een gebrek aan ambitie is
en ieder resultaat zal dus ofwel
onvolmaakt
ofwel
teleurstellend
zijn.

Te wandelen in Venetië alsof ik
niet meer besta,
net als de stenen en
het water,
te werken in Alfama, een terras
gekanteld tegen de heuvel,
tot ik eindelijk
gefaald heb,
onbevredigd blijf,
of in slaap val.

~

[afbeelding: All the Dead Cats of Civilisation—CCQA 2017, assemblage]

Geplaatst in Een Gedicht | Een reactie plaatsen

Taalarmoede

Opperste wreedheid

Wat is het woord voor die bijzondere, in zichzelf besloten vorm van wanhoop die als een helm op je hoofd gedrukt wordt als de zon op begint te komen op een lentedag die je zonder veel vertrouwen tegemoet ziet? Hier in de trein is het donker, maar dáár, boven die lage bergen die nog zwart afsteken tegen de aarzelende dag, dáár kleurt het nu langzaam geel en zonsperen prikken door de ruit en ergens in mijn borstkas opent zich een donker gat.

En ik begrijp ineens met een mateloos empathisch inzicht het fenomeen dat in landen waar de zon maandenlang nauwelijks verschijnt de zelfmoordcijfers niet pieken in het hart van de winter, in het blinde oog van de wereldnacht, maar juist aan het begin van de lente, want als de daadwerkelijkheid er weer iets beter uit begint te zien worden de hulpelozen en reddelozen die zich nog geen spatje beter voelen gedwongen te onderkennen dat het niet de duisternis en de kou waren die hen tot hun mentale misère dreven, maar hun eigenste binnenste zelf. Voor de lijdenaars is de terugkeer van het licht een oordeel, een vonnis, en als de leugens die jou door de winter gesleept hebben niet meer houdbaar blijken, zal de waarheid je van jezelf verlossen.

En dus als de zon zo pesterig, zo onwelwillend magertjes, zo zwaardkoud boven de kim komt kijken, besef ik dat de nacht niets met het draaien van de aarde te maken heeft maar iets is dat uit de kern komt, mijn eigen kern of de kern van de planeet. Misschien is de nacht wel de meest natuurlijke toestand—een romantisch sentiment dat ons verkreupelt maar waar domweg niet meer aan te ontkomen valt.

De hemel vlamt nu wreed blauw en oranje, en binnen in de kern wordt het niet lichter…

Wat is daar het woord voor? Hoe kunnen we ooit hopen dit te overleven als we er met taal niet aan kunnen raken? Wat zal ons nog redden?

~

Geplaatst in Wanhoop | Een reactie plaatsen

Nice Try 🇬🇧

Denn da ist keine stelle, die dich nicht sieht

When the Creator of All That Is still hadn’t made anything yet, he glanced at his name tag and felt red-swirling shame rising up inside him: he was not worth this moniker! Although it must be said that he hadn’t created the name tag either. He’d found it in a rubbish bin somewhere and had dusted it off. It was a good name, Creator of All That Is, but as long as the not-being of all things persisted in this rather stubborn fashion, he really did look rather ludicrous, now didn’t he? Something had to be done.

He tried to create a beautiful sculpture from wet clay. The clay was too wet, actually, far too wet, almost mud, a sludge, but this was his first time. These things happen. The Creator of All That Is wanted to make this sculpture into a cosmos that was absolutely perfect. This would mean that he would knock down the proverbial two creatures of aviary persuasion with a single projectile, because he would simply create everything in a single, relatively simple (albeit somewhat tedious) effort—after all, things that don’t exist are not perfect, from which it must follow that, conversely, something that is perfect must in fact be everything; additionally, he would avoid all other efforts and the anxiety that comes with responsibility, because something that is perfect doesn’t require any maintenance. Right?

But perfection was far less straightforward than he’d hoped. The sculpture refused to assume the correct form and the Creator of All That Is kept kneading and modelling and had to start over hundreds of times. After a while, he was really getting tired of this bullshit: it was taking much more effort than he had anticipated, and he had better things to do with his time, now didn’t he? But the cosmos remained ugly: stoically adamant in its refusal to become impeccable.

And then the Creator of All That Is suddenly noticed what was going wrong here: he found a huge pimple on an otherwise elegant curve of the statue. That was the problem! He took a knife and tried to cut the pimple from the sculpture. But the pimple burst and pus splashed over the left hand of the Creator of All That Is. He was startled and flapped his hand back and forth to get the pus off. Ten, fifteen festering drops flew from his hand and were propelled toward an open window.

One of those drops of pus is our universe, with our little planet suspended in it, and we are still flying toward that open window.

~

This was the principal creation myth told among the members of an old, Hungarian tribe that hardly anyone has ever heard of. Oddly enough, this tribe never used windows, nor did they make sculptures. And I highly doubt they had any idea what a name tag is. So it may not have been their creation myth after all, or at least not their principal one.

~

Geplaatst in English 🇬🇧 | Een reactie plaatsen

Drombok: Tom Waits

Ik droom dat ik in een hotelkamer sta. Buiten is het donker, straat-lantaarns. Binnen branden een paar lampen, zachtgoud filmlicht. Ik sta voor een spiegel en probeer mijn bril recht op mijn neus te zetten. Dat is nog niet zo eenvoudig als het klinkt.

Op het bed zit een jonge vrouw, een meisje nog—zeventien? Misschien achttien. Ik ken haar niet. Ik heb geen controle over mijn dromen. Ze heeft lang, lichtbruin haar en draagt een zachtroze nachtjapon, zo lichtroze dat het bijna parelmoer is. Waar komt die glans vandaan? Ik weet dat ze op mij wacht, wacht tot ik mijn bril recht weet te krijgen, maar de stemming is niet seksueel. Ik heb geen idee wat hier aan de hand is.

Dan hoor ik een stem in mijn hoofd; nee: vlak bóven mijn hoofd; nee: recht áchter mij hoor ik een stem die een verhaal vertelt, een raspende whiskystem, recht uit de asbak, een stem die vertelt over… over mij, over deze kamer, over wat er nu gebeurt—wat dat ook moge zijn. De stem vertelt mijn verhaal, en als ik nu maar zou kunnen luisteren, als ik me ook maar heel even zou kunnen concentreren op wat hij precies zegt, dan zou ik misschien eindelijk iets begrijpen, zou ik eindelijk weten wat er gaande is.

Ik kijk weer in de spiegel en zie dat er in de leunstoel in de hoek van de kamer—tussen het bed en het raam—ineens een man zit. Of misschien zat hij daar de hele tijd al. Ik draai me om. Het is de man die mijn verhaal vertelt, de stem die rustig hardop zegt wat ik in het raadsel van mijn schedel warrig fluister. Ik kan hem nog steeds niet verstaan en mis daardoor alle grip op het verschil tussen mijn afgesloten denkwezen en de wereld buiten mij.

Hij draagt een spijkerbroek en puntige, leren schoenen. Misschien zijn het cowboylaarzen. Ik hoor nu dat hij Engels spreekt. Hij rookt een sigaret en laat de rook uit zijn mond walmen. Het is Tom Waits.

Ik kan niet goed zien hoe oud hij is, zijn hoofd verborgen in halve schaduwen, obscuur gemaakt door scherven licht. Zijn stem klinkt zwaar, oud als Real Gone, gezicht als een orang-oetang, gewicht van jaren mensenkennis, maar zijn lijf lijkt slank, jong als Down by Law.

Ik zet een stap in zijn richting. Het meisje op het bed heeft nog altijd niks gezegd, ze kijkt rustig van mij naar Tom Waits, van Tom Waits naar mij. Ze lijkt niks te verwachten en niks te vrezen.

Tom Waits staat op en mompelt iets dat klinkt als de laatste zin van een verhaal met een open einde. Er hangt een spijkerjasje over zijn arm. Hij trekt het grote raam open, zet een voet op de vensterbank en stapt nonchalant naar buiten. Ik ren naar het raam en zie zijn lichaam vallen als een trekpop, drie, vijf, zeven verdiepingen naar beneden, hij stort te pletter op de neonverlichte parkeerplaats van dit goedkope hotel. Nu schreeuwen er stemmen vanuit allerlei richtingen. Tom Waits beweegt niet. Het jasje lijkt nog over zijn arm gevouwen.

Ik draai me naar het meisje op bed. Ze kijkt nieuwsgierig terug, alsof ze zich absoluut geen zorgen maakt maar benieuwd is naar wat ik heb gezien. Ik kijk weer naar beneden. Waar net nog het lichaam van Tom Waits lag, ligt nu alleen nog een grote plas water. Hij had veel te vertellen maar ik kon niet luisteren. Het is ons nooit gegund inzicht in de dingen te krijgen.

Ik ontwaak met tranen in mijn ogen.

~

Geplaatst in Dromen | Een reactie plaatsen

De regisseur

Hou op te acteren alsof je op een podium staat, roept de regisseur. De mensen bij de bushalte hebben geen idee waar hij het over heeft—de meesten negeren hem, een paar doen hun best iets nonchalanter te gaan te staan. De regisseur fietst weer langs maar ziet voor de vijftigste dag op een rij geen enkele verbetering. Hij springt van het zadel, de fiets rolt een stukje door en laat zich dan vallen alsof hij aan een onzichtbare scheidsrechter een penalty probeert te ontlokken. De regisseur gooit zich door de deur van een rustiek bakkerijtje en wringt zich tussen een puddingbroodje en een boeket baguettes door om naar elders te verdwijnen.

Een van de cameramannen is achter hem aan gehold, maar kan hem nu niet meer vinden. De cameraman stapt weer naar buiten en stuurt iedereen naar huis.

~

Geplaatst in Breuken | Getagged | Een reactie plaatsen

Wie drinkt er nog alleen?

Je staat op de dwarsbalkjes van je kruk en je buigt ver over de bar om even goed te kijken wat voor gin ze hier op voorraad houden, je buigt eigenlijk wel erg ver, de langharige cocktailtovenaar moet zelfs een stapje opzij doen omdat je hem anders recht op zijn glimmende lippen zal zoenen. Oppassen dat je niet in de spoelbak dondert, je bent wellicht dronkener dan je denkt, zeg je tegen jezelf—en die gedachte stemt je trots: jij kunt jezelf nog inschatten, jouw geest blijft overeind waar anderen reeds gesneuveld zouden zijn. Je bent trots op je wilskracht en je stevige gestel, want je bent vaak dronken maar zelden hulpeloos.

Je buigt voorover en bekijkt de plank prachtige flessen. Eén heeft een bepaalde groene kleur die je op dit moment enkel als “glasgroen” kunt beschrijven, maar dat klinkt zo lui, en trouwens, het is niet eens wijnflesgroen, dus wat voor kleur bedoel je nou eigenlijk? De naam van dit merk heb je nooit goed uit leren spreken: als mensen het je voordoen lijken hun klanken niet overeen te komen met de krullerige lettercombinaties op het etiket, en iedereen zegt telkens nét weer iets anders.

Een tweede fles is lichtblauw, zwembadblauw: de Bombay, herken je overal. Dat is geen opschepperij of überhaupt ook maar een prestatie, iedereen herkent die fles overal. De rest van de flessen is wit of bruin—apothekersbruin, bruin als de plastickleur van de nieuwe potjes waarin een landelijke drogist heel authentiek & ouderwets zijn vitaminepillen is gaan verkopen, want alles moet tenslotte wijken voor de vergruizende wielen van de nostalgie-industrie.

De meeste etiketten denk je te herkennen en je hebt over bijna ieder drankje een duidelijke mening—dat is wél opschepperij, alsook volkomen correct. Je drinkt nou eenmaal veel.

Uiteindelijk kies je voor Monkey 47, dat is een van je favoriete gins, niet zozeer omdat jij de meest ontwikkelde smaakpapillen op deez’ aard hebt en na eindeloos wikken en gorgelen deze boven alle andere verkozen hebt, maar omdat er een aapje op het label staat en een vriendin je eens verteld heeft dat het een geweldige gin is (“Fan-tas-tisch”, zei ze), en het placebo-effect van de aanbeveling is sterk, of misschien ben je volstrekt ruggengraatloos, of misschien had ze gewoon gelijk, want je vindt het echt een van de lekkerste gins, veel ginmerken worden alsmaar zoeter omdat de globale smaak alsmaar infantieler wordt, maar de Monkey buigt niet voor gemene delers. Het is een dure keuze, maar goed. Wacht, heb je nog wel geld?, ach, aangezien je toch al dronken bent doet dat er niet eens meer toe, kies de aap, the monkey on my back, en giet je bakkes vol en voller, laat maar komen!, tot je golvend in een avondwinkel sigaretten staat te halen en je afvraagt of je de rekening in de kroeg wel betaald hebt—macht nichts, je bent er morgen toch wel weer, met excuses en dankzeggingen voor het personeel, aflaten en halleluja’s.

Buiten, de kou legt natte washandjes op je wangen, je voorhoofd. Vonkwieltje ratelt, longen creëren een nicotinevacuüm, je ademt uit. Bevrijding.

~

Geplaatst in Extase | Een reactie plaatsen

BASELITZ / ET LUX PERPETUA 🇬🇧

A naked boy on the battlefield, de-legged or legless, only got one arm left, ash and grass and blood and a gunpowder smell. In his stomach—stomach of bee wax candle wax—a gash: a neat, clean wound, criminally surgical.

His body lies on the ground and our gaze is level with his pale eyes.

Mortars soundlessly cover every square foot.

The boy looks into the camera. Do you think he knows he hasn’t got legs anymore? Do you think he knows he’s arrestingly beautiful and that he will set before the sun today?

The boy looks into the camera and painfully moves his hand toward his stomach he cocks his hand lazily extends an index finger eager, and he dips the hungry finger into the blood grin on his belly, up to the first knuckle.

He’s still looking at us, he’s not going to break this precious eye contact.

He cranes his arm up again, eyes half closed ecstasy or slavery or death pain—shrouded in pain we are born, shrouded in pain we are pushed out of life—and he, helplessly on his back, holds the finger up for us.

Look, a caterpillar! he seems to want to say, but it’s not a caterpillar and he doesn’t say anything at all, he is silent, his eyes are closed now.

A hand lies in the grass.

~

Geplaatst in English 🇬🇧 | Een reactie plaatsen