Onderweg

Ik legde deel drie van het Verzameld Werk van Pierre Menard toch maar weer weg omdat ik licht bepakt op reis wilde zijn. Ik bleef maar drie nachten logeren, en ik moest onderweg vier keer overstappen, of vijf, ik hoopte maar dat ik het goed genoteerd had. Het zou dus erg helpen niet te veel bagage mee te hoeven dragen. Negenhonderd pagina’s—nee, dank u…
Maar wat te lezen?
Er was haast bij, dus ik pakte snel twee of drie dunne verhalenbundels waar ik nog niet aan toe was gekomen, en toch ook maar die bloemlezing van Kroatische dadaïsten met de rare titel God en Bog, en de geschiedenis van politieke experimenten van Leonadirae Paad, en ik wilde dat fotoboek van Jean Vigo ook eindelijk wel eens doorbladeren, oh: de Baskische gedichten van Ivézar, natuurlijk, en ik had ook nog geen tijd gehad de essays van Chris Marker te lezen. En… Vloekend holde de trap naar de kelder af om een extra koffer te pakken. Mijn trein ging over twintig minuten.


Geplaatst in Voor Vandaag | Een reactie plaatsen

De sterkste toetsen dragen de zwaarste lasten

Oh, mijn springveren zijn zo moe
—Daniil Charms

Ik wilde zo graag iets typen, de inspiratie en de drang en het donkere gevoel van onvermijdelijkheid waren overweldigend, pijnlijk zelfs, maar de schrijfmachine werkte niet meer. Ik besloot het probleem eerst mechanisch aan te pakken: met de verve die mij zo eigen is heb ik het ding helemaal ontmanteld en weer in elkaar gezet. Het hielp niks en na al mijn inspanningen zat ik met een onfunctioneel apparaat, alsook met drie schroefjes die nergens vandaan leken te komen en één losse toets met een vreemd symbool dat mij eerder niet was opgevallen: ᚠ. Wat een ellende.
Ik heb een tijdje op het probleem gekauwd, maar de letter bleek niet geschikt voor menselijke consumptie—een euvel dat godzijdank met één kordate auto-heimlichmanoeuvre weer verholpen was. De schroefjes heb ik ’s nachts in het plantsoen begraven, de maan is mijn enige getuige.
Mijn tweede reparatiepoging was politiek van aard. Ik heb diverse commissies en werkgroepen gevormd en een heel aantal vergaderingen belegd. Het duurde even voordat er een voorzitter en een secretaris gekozen waren, en er was een heel gedoe met de notulen, maar na een tijdje liep alles op rolletjes. Ik heb met mezelf een hoop stroperige compromissen bereikt, maar de typmachine bleef volharden in zijn disfunctie.
Uiteindelijk wendde ik mij voor een oplossing tot het spirituele domein. Ik heb gebeden, gedanst, gezongen, gevloekt en bezweringen gefluisterd. Bij de dierenwinkel wilden ze me geen slangen meegeven – Maar het is een ‘patafysisch noodgeval, heb je nog nooit Jarry gelezen?! – waardoor ik me gedwongen zag een zak half-ontdooide tilapiafilets te offeren op mijn altaartje van sprokkelhout. Vruchteloos, oh zo vruchteloos.

Gefrustreerd en de wanhoop nabij ging ik laat op de avond de deur uit waar de wolkige draden kwallen EXPLOSIES van wierook en hasj uit mijn geest geveegd werden door de omhelzing van de frisse stadslucht. Na een paar kwartier trappen door de schaduwen die zich als herfstbladeren in een nette cirkel rond iedere lantaarnpaal gedrapeerd hadden, moest ik snel even een steegje induiken om leunend tegen de klamme muur de straatstenen te bewonderen. Queesten, moest ik blijven herhalen, Zijn nooit gemakkelijk. Nu mijn misselijkheid wat bedaard was keek ik om mij heen en mijn blik kruiste die van een aardige man die zich met een binnenstebuiten gekeerde boodschappentas in iedere hand hard maakte voor recycling. Een urbane guerrilla! Hij hoorde welwillend mijn klaaglitanie aan en speelde het klaar aan het einde van mijn verzuchtingen een wonder te verrichten: ‘Ik ben typmachinemonteur,’ zei hij.
Mijn adem stokte in mijn keel. Had mijn tilapiaoffer dan toch gewerkt? Blijkbaar wel… Slangen, vissen, vogels—als het maar schubben heeft! Ik moest echter praktisch blijven.
Wat is uw uurtarief?’ vroeg ik.
‘Zevenhonderdzesennegentig euro,’ zei hij, ‘en ik bereken geen voorstrompelkosten.’
‘Wat een aanbod!’ kirde ik. ‘Het universum is weer met mij!’De monteur knikte ernstig, zijn vierkante hoofd ingekaderd door een witte franje waarin hoofdhaar en baard niet meer van elkaar te onderscheiden waren. Hij zei: ‘Het universum is met ons allen. Het heeft daarin verrassend weinig te kiezen.’
Ik stelde mezelf voor. Hij zei dat hij Vissenis heette, of iets dergelijks, hij mompelde en ik luisterde niet, ik was alweer bezig met alle boodschappenlijstjes en boze brieven die ik zou kunnen schrijven. ‘Wanneer kunt u langskomen?’ vroeg ik.
Hij sloeg zijn lange jas open. Aan de binnenkant was een lang vel papier met veiligheidsspelden aan de stof bevestigd. Het papier was bekrast met talloze getallen, pijlen, uitroeptekens en onderstrepingen. ‘Morgen,’ zei Vissenis, ‘of overmorgen. Het hangt allemaal van de stromen af, van de stromen en de drooggevallen kanalen die jij straten noemt, en ook van het door motten aangevreten verduisteringsgordijn dat jij als de sterrenhemel kent.’
Dat klonk heel redelijk, zei ik. ‘Het is zelfs geweldig. Dank u.’
Hij neeg zijn hoofde en staarde in de verte. Ik keek met hem mee maar zag niks, alleen een versteend verkeersongeluk op een zebrapad, er lagen twee kinderen onder een auto en er was nog geen ambulance verschenen. Vissenis fluisterde iets, alsof hij het tegen zijn vroegere zelf had, of tegen iemand die op zijn schouder zat. Het klonk als ‘…betekent donkerte, altijd en overal.’ Ik besloot er geen aandacht aan te besteden.
Omdat het probleem mij niet eenvoudig op te lossen lijkt, heb ik Vissenis direct twee uur vooruit betaald. Toen ik de biljetten overhandigde glinsterde er iets van verbijstering in zijn ogen. Typmachinemonteurs zijn vast een erg sereen, cerebraal volk dat weinig waarde aan geld hecht. Hij heeft beloofd vandaag of morgen of volgende week of in elk geval voor de herfst langs te komen, mét btw-factuur voor de reeds voldane bedragen, natuurlijk.

Ik ben zo benieuwd.

~

  • afbeelding: CCQA. O, My Springs Are So Damn Tired (collage 2017, afmetingen variabel)
  • Het motto komt uit Daniil Charms’ toneelstuk Elisabeth Bam (1928), 216. vert. Yolanda Bloemen & Marja Wiebes, in: Ik zat op het dak (Amsterdam: Atlas, 2002). 199-228.
Geplaatst in Breuken/Flitsen | Een reactie plaatsen

We gaan niet meer naar zee

En toen in het najaar de eerste graven door de aanzwellende vloedlijn opengepeuterd werden, kregen de kinderen door dat het toch niet zo’n goed idee was om lichamen op het strand te begraven. Maar toen – om het mantra van het menselijk project er maar weer eens bij te halen – was het al te laat.

~

Geplaatst in Breuken/Flitsen | Een reactie plaatsen

Sint Sebastiaan

En na lange tijd dook ik weer op uit mijn verwarde gedachten en keek naar de reproductie van een middeleeuws schilderij dat boven de bar hing, naast de kast met de vierenveertig flessen whisky, een schilderij waarop Sint Sebastiaan doorboord met pijlen naar de schilder staart, of naar de God die hem niet wil laten sterven maar hem, bange Sebastiaan, als teken of bewijs van zijn zaligheid in leven houdt, hem dwingt in leven te blijven, Sebastiaan loert naar de christelijke god of zijn eigen idee, zijn voorstelling van die god, en zijn blik vervloekt Hem, ja, verafschuwt de god die hem op aarde wil houden. Of is het de blik van aanvaarding, de berusting van de met pijlen geheiligde soldaat die we in de hagiografieën lezen? Een blik van overweldigende paniek, de paniek van het besef dat je, in tegenspraak met de beginselen van de kerk, alleen bent, altijd al alleen bent geweest. Misschien, zeg ik maar omdat ik hem niet tegen wil spreken, Misschien is dat zo, zeg ik, en ik zeg niet hardop dat ik het schilderij opwindend vind, want ik zie opwinding in Sint Sebastiaans blik, seksuele en spirituele en morele en historische lust, ik zie de ongrijpbare erotiek van pijn, lijden, volhouden, de aantrekking van het onvatbare, de pijlen zegenen de heilige, elke pijl die zich niet chirurgisch, nee, zeker niet chirurgisch maar met verblindend geweld in zijn lichaam dringt, elke pijl verhoogt zijn goedheid, zet zijn zaligheid dikker aan, wat hij in zijn leven ook uitgespookt mag hebben, het is hem nu vergeven, nee: het wordt hem nu vergeven, hij hoeft alleen maar deze marteling te doorstaan—zo wordt men tenslotte martelaar. Of is het juist andersom, vraag ik me ineens af, Is het niet uit geweld geboren superioriteit die we hier zien, maar toch een uitsluitend menselijke verrukking die ontstaat en versterkt wordt door ieder van de pijlpunten die – ineens! – Sebastiaans einde zou kunnen betekenen, maar die hem in plaats daarvan stuk voor stuk zeggen, Je leeft nog, je bent nog steeds niet dood, je leeft nog!, de dood komt waarschijnlijk heel gauw maar is er nog niet, de dood is er nog niet!, blijf ademen, gewoon blijven ademen, het is opwinding, de extase, de trance van een man die zich niet dood weet, een man die altijd had gedacht dat hij liever snel om het leven gebracht zou worden dan ook maar een moment pijn te moeten doorstaan, en nu pas beseft (maar hoe zou hij zich dat ook eerder hebben kunnen realiseren?) dat iedere seconde van Zijn immens is, onmetelijker dan het Niet-Zijn dat zich alzijdig uit zal strekken en dat hij daarom niet wil dat de pijn ophoudt, laat de pijn alstublieft voortduren! Zijn Romeinse beulen jagen verbijsterd pijl na pijl door zijn vlees, vragen zich af hoe dit mogelijk is, welke goden deze onbeduidende legionair zo beschermen of zo straffen, ze vragen zich af of dit niet te ver gaat, misschien moeten ze hem maar gewoon onthoofden, maar Sint Sebastiaan smeekt door zijn samengeperste kaken om meer, méér!, Laat dit nooit ophouden, God, duivel, keizer, willekeur, pijn—ja, ik aanbid de pijn, ik leg mijn lot en bestaan in de geklauwde handen van de pijn, want alles is beter dan de leegte…

Sint Sebastiaan hangt aan de muur, voor altijd doorboord, voor altijd nog niet dood.

~

Geplaatst in Extase | Een reactie plaatsen

REMBRANDT BEGRIJPEN

Ik zat gisteravond in een kroeg met een vriend – laten we hem C. noemen – te drinken en te praten terwijl ik eigenlijk op bed wilde, we waren al drie dagen aan het praten en het drinken, maar zo vaak kwam ik ook niet in de stad, en hoewel ik kapot was en bang dat ik niet veel interessante dingen meer te delen had, zei ik na het eten zelf, Zullen we nog even naar Noortje om wat te drinken?, zo’n vraag die je mond al verlaten heeft voordat je eigenlijk weet wat je gaat zeggen en of wat je gaat zeggen overeenkomt met wat je wilt.
We hadden nu al vier rondjes gehad en het einde was nog niet in zicht, ik wist niet hoe ik op de rem moest trappen, ondanks die doffe hoofdpijn van vermoeidheid en droge katers overgoten met nieuwe alcohol die ook weer opdroogde en zo door en door. C. bestelde telkens hetzelfde als ik, wat tegelijk irritant en vertederend was. C. is een kunstschilder. Ik ben geen groot kunstkenner, maar wel een liefhebber (wie geen liefhebber van kunst is, heeft nog niet genoeg kunst gezien) en zoals altijd trok de zwaartekracht van het gebrek aan nieuwe onderwerpen ons naar schilderkunst. C. bewondert vooral heel klassieke kunstenaars, de donkere Spanjaarden en de Italiaanse frescoschilders, Hollandse meesters en Duitse romantici, bijna zonder uitzondering kunstenaars die ik zelf minder interessant vind, maar ik kon doen alsof ik ze interessant vond, want praten is zalig, zelfs als je niet helemaal meent wat je zegt.
En ik zei dat Rembrandt om licht draaide, chiaroscuro, de caravaggioëske lichtval op een monnikskap, een bende opgeschoten schutters, een baby die om obscure redenen door een roofvogel gestolen wordt, wat was daar ook alweer aan de hand?—al die uitgelichte figuren in hun cellen van bruin en zwart…
En hij onderbrak me en zei dat ik niks van Rembrandt begreep, Ja, Caravaggio gaat om licht en daarom zijn zijn onderwerpen doods, briljant uitgevoerde lichtval op lijkwades, alles grafmaskers, nepmensen nauwelijks geanimeerd door explosies van goud. Hij zei dat Caravaggio een prutser was, en ook nog eens onsportief, een slechte verliezer, als we de geruchten over de fatale tenniswedstrijd moesten geloven, en ik had geen idee waar hij het over had maar liet hem praten.

Rembrandts werken, zei hij, Beelden geen levende doden af maar gaan over de dood zelf, over de dood en het leven en over eenzaamheid.
En ik protesteerde, Dat zeg jij over alles.
En hij antwoordde, Ja, omdat alles nou eenmaal over eenzaamheid gaat. Wil je mij daar de schuld van geven?
En ik lachte, half schamper, half geamuseerd en bestelde nog een whiskey sour. Hij bestelde hetzelfde.

~

Geplaatst in De Stad | Een reactie plaatsen

De kastanjekinderen

De boom laat zijn kastanjes vallen, schudt ze enthousiast van zijn takken, Vlieg, mijn kinderen, gaat voort!, want de boom weet niet dat de straat onder hem geasfalteerd is. Hoe zou hij dat kunnen weten?

Tok, zijn kroost rolt nergens naartoe en wordt diezelfde dag nog, misschien morgen, vertrapt door schoenen die het ook zo kwaad niet bedoelen, of door mensenkinderen mee naar huis genomen, waar lange houten prikkers wachten. Nee, een toekomst zit er voor hen niet in. De kastanje weet van niks en doet het ieder jaar vrolijk weer. Tok.

~

Geplaatst in Breuken/Flitsen | 1 reactie

Op de toppen en in de dalen

Daarop grinnikte ze voor het eerst die avond en ze ging iets rechterop zitten. ‘Die uitdrukking heb ik al lang niet meer gehoord. “Hij gaat de bergen in” was vroeger in deze streek een uitdrukking om aan te geven dat iemand een moeilijke beslissing te nemen had, omdat de mannen in deze regio – en natuurlijk alleen de mannen – in hun eentje of met een vertrouweling door de bergen wandelden als ze worstelden met familieproblemen of financiële vragen, of met huwelijksaanzoeken voor hun dochters die ze geen van alle aan de opgeschoten kerels van het dorp af wilden staan, maar ach, trouwen moesten ze toch een keertje, dus waarom niet nu?

Niemand wist wanneer dit gebruik was begonnen, maar iedereen was het erover eens dat het oud en traditioneel was en daarmee goed en gepast.

En als er een belangrijk geschil was over vee of land of kaprechten, iets waar ze het hof van de plaatselijke prins niet mee lastig wilden vallen en waar de deken van de parochie zich niet mee te bemoeien had (van zulke dingen hadden geestelijken immers geen verstand, of ze hadden er in elk geval niks mee te maken), dan togen de ouderen en herenboeren en lagere magistraten ’s ochtends vroeg in een lange rij het woud in, en door het woud bereikten ze het gebergte, en ze liepen niet over de smalle paden recht omhoog naar de koudste richels maar slenterden door de milde passen waar een mens nog eens een goed gesprek kon voeren zonder bang te hoeven zijn uit te glijden en dan stortend in een ravijn vier of vijf seconden te hebben om over zijn falen en verdriet na te denken. Met hun hoog opgetrokken sokken en hun opgepoetste wandelstokken stapten de mannen door de bergen, en wanneer ze terugkeerden was er een besluit genomen, altijd unaniem, of in elk geval werd er over onenigheden niet gerept—daar waren de bergen tenslotte voor.

De vrouwen die met hun mouwen opgestroopt en doeken om het voorhoofd gebonden de mannen in de vroege avond eensgezind terug zagen keren, stootten elkaar aan en riepen dan schertsend dat de kerels vast geen berg hadden gezien, maar een fust bier en wat flessen brandewijn in het bos hadden verstopt en de hele dag als vrijgezellen hadden zitten zuipen. Dan lachten ze hard en het gelach steeg op als een wolk van vlinders en de vlinders fladderden rond de hoofden van de beledigde mannen, die stoïcijns zwegen en voor zich uit keken, maar ieder dacht stiekem in zichzelf dat dat een veel beter idee was geweest.’

~

Geplaatst in Herinneringen | Een reactie plaatsen

Verveling/De walging

De man snuit zijn neus in zijn geblokte overhemd met korte mouwen. Nee, hij dráágt een geblokt overhemd met korte mouwen, hij snuit zijn neus er niet in. Getver.

De man in het geblokte overhemd met korte mouwen snuit zijn neus in een wegwerpzakdoekje, speciaal en uitsluitend voor dat doel ontworpen.

Zijn vrouw – of een vrouw – staat precies één meter en achtenveertig centimeter achter hem, haar rug naar de man gedraaid, haar ogen op de straat gericht (of heeft ze haar ogen gesloten?) alsof niks in dit leven haar meer pijnigt dan hém zijn neus te moeten horen snuiten in een papieren zakdoekje. En dan die saaie overhemden die hij altijd draagt!

~

Geplaatst in Breuken/Flitsen | Een reactie plaatsen

Dream Brother

Oh, toch te zeggen, Alles kan naar de pleuris lopen (zeggen mensen nog pleuris?), ik ga er vandoor, en dan de deur uit te lopen zonder je jas en je rugzak te pakken, een sigaret te bietsen bij de eerste jonge kerel in een leren jas die je ziet (je hebt nog nooit gerookt, maar iedere ochtend weer een nieuwe dag, toch?) en dan genietend puffend als een filmster uit de jaren zestig de straat afstruinen, niet op zoek naar iets en niet onderweg naar iets: de rust en gerichtheid zelve: iedereen kan zien dat jouw leven ergens naartoe gaat, dat het allemaal ergens toe dient en niet alleen gedaan wordt om de dag door te komen en de huur en je internetabonnement te betalen, nee nee meneer! hier zijn grote dingen gaande—ach, toch door de stad te wandelen, luidkeels aan te kondigen dat je een revolutie gaat ontketenen, of dat alle revoluties dood zijn, door vijvers te rennen terwijl niemand kijkt, op een stoepje te hangen en nergens heen te hoeven, in een donker café aan de bar te zitten en gesprekken te voeren met mensen die nog eens iets beleefd hebben, en jij praat mee want ook jij hebt dingen beleefd, je leven is dan misschien geen erepodium maar je hoort er gewoon bij, zeker nu want je bent – middelvinger hoog opgestoken – gewoon uit je pasteltinterige kooi weggelopen en wat ze ook zeggen en met wat voor bezwaren of adviezen ze ook aan zullen komen (intelligente opmerkingen over verantwoordelijkheden en beloftes en rekeningen), terug ga je niet, no sir, de bruggen zijn afgefikt en over de weg liggen verkoolde bomen, vrij ja vrij ja vrij…

Wat zeg je? Oh ja, shit, sorry: Wie is er aan de beurt?

~

Geplaatst in Breuken/Flitsen, De Stad | Een reactie plaatsen

De laatste dag

 

En op dat moment,
in een soort plotselinge openbaring,
dacht je dat je de hel begreep.

—Carlos Rojas

1.
De straat is van a tot z verlaten maar ik loop braaf op de stoep. Het is een van die trucjes die bedoeld zijn om normaliteit af te dwingen, met altijd in het achterhoofd de niet te verhelen kennis dat de oude maatstaven van normaal en afwijkend volledig omgekeerd zijn. Mijn dagen bestaan voor een groot deel uit het volharden in de ontkenning van deze inversie van conventies—vandaar het brave stoeplopen. Ik heb al weken, misschien al maanden geen auto’s meer gezien, geen bussen geen trams geen vrachtwagens geen ronkende brommers die stinkend voorbij komen lawaaien. Wagens getrokken door een zeldzaam paard, een span uitgemergelde ossen, een stel hologige mensen—ook die rijden nauwelijks meer. De assen zijn gebroken, de wielen tot stof vergaan, paarden hebben het opgegeven en mensen vallen weerloos luchtloos op het gebarsten asfalt neer. Er worden geen begrafenissen gehouden. Er zijn geen kraaien meer om de ogen uit te pikken.

Ik loop op de stoep met oordopjes in mijn oren en mijn hoofd gaat volautomatisch ritmisch op en neer, al is het snoer nergens ingeplugd: mijn doofstomme telefoon heb ik een paar weken terug met iemand geruild voor drie blikken gepelde tomaten. Ik kon mijn geluk niet op, tot ik een blik opende – en toen het tweede, en direct het derde – en ontdekte dat ze allemaal met zand gevuld waren. Hoe die bedrieglijke ruilhandelaar de blikken weer zo levensecht dicht heeft gekregen, is een raadsel dat me constant bezighoudt.

Soms doe ik alsof ik op straat mensen moet ontwijken, mensen die zonder om zich heen te kijken ineens stilstaan en hun telefoon pakken om een berichtje te lezen of GoogleMaps te raadplegen, of ze komen een vriend tegen en schudden lachend handen en vragen hoe het met ze gaat. Ik zucht dan stilletjes en stap geërgerd om de spookverschijningen heen, irritante lui zonder enig ruimtelijk besef… Maar er is niemand, de enige beweging op straat komt van aan flarden gescheurde reclameposters die zachtjes bibberen in de wind alsof ze om redenen die niet in taal uitgedrukt kunnen worden een hekel hebben gekregen aan de producten die ze aan moeten prijzen.

2.
De laatste persoon die ik heb gesproken was een vent met een enorme baard die me vertelde dat hij op katten jaagde. Vorige week? Tijd is ongelofelijk relatief geworden. Ik vroeg de man verwonderd waar hij katten hoopte te vinden—de gedachte aan een vette kater vulde mijn mond met droog, stroperig speeksel. ‘Ik heb al tijden geen katten meer gezien,’ zei ik, ‘alleen dode paarden en wilde honden, en die smaken allebei nergens naar.’

De man met de enorme baard antwoordde: ‘Waar mensen zijn, zijn katten. Ik volg de voetsporen van afgetrapte schoenen en hoop maar dat katten hun kussentjes onzichtbaar in de passen van hun baasjes zetten.’ Hij grijnsde zijn tandeloze mond wijd open en snoof een lijntje grof, grijs poeder. Het leek op betongruis.

Ik was te verbluft om iets te zeggen. Katten vangen door de metonymische verwijzing te volgen in plaats van het ding zelf! Slim. Ik had wel eens gehoord dat katten heel symbolisch en mysterieus zijn, maar ik had niet durven vermoeden dat het zó ver ging. Nieuwsgierig vroeg ik de man of zijn strategie goed werkte, of hij al veel katten te pakken had weten te krijgen.

De kattenvanger – zijn naam was Finsternis, of iets dergelijks – keek me aan, waterige ogen die naar iets zochten, grip probeerden te krijgen op een fata morgana. Hij zei niets meer en wees met een knokige vinger naar de uitgang van zijn krot. Even leek het alsof er tranen over zijn wangen dropen. Ik respecteerde zijn stille wens en vertrok, peinzend over de onzichtbare looppas van een leger transparante katten.

Dat was tien dagen geleden, misschien wel langer. Niemand ben ik tegengekomen, nergens heb ik stemmen of voetstappen gehoord. De eenzaamheid verpulvert mijn volgehouden verzet tegen de omwenteling van de wereld, en ik verlies langzamerhand alle houvast die ik ooit heb gekend. Ik loop netjes op de verbrijzelde stoeptegels van de Karl-Marx-Straße en kijk bij ieder kruispunt links en rechts en nog een keer, maar ik geloof er niet echt meer in. Ik probeer te fluiten. Het geluid jaagt me angst aan. Het klinkt als het raspende huilen van de wind in de lege ribbenkast van een gevallen reus. In een McDonald’s staat een versteende clown voor eeuwig naar dode kinderen te zwaaien.

3.
Vroeger zou er altijd een morgen komen, en er was altijd wel iemand om te liegen dat de dingen dan beter zouden zijn. Vroeger hielp slaap tegen ieder probleem—na het openen van je ogen kon je altijd geloven dat elk dilemma ietsje milder was geworden.

Nu niet meer, bedenk ik: deze dag zal nooit voorbij zijn. De aarde zal draaien en de zon zal ondergaan, de maan en sterren zullen hun schijnsel schijnen, ik zal mijn hoofd te ruste leggen en na een aantal uren weer opheffen. Ik zal geeuwen en me uitrekken, wassen en karig ontbijten—al die instincten en rituelen, maar deze dag zal nooit opraken, er zal altijd méér van deze dag zijn en “morgen” is een belofte die de komende generaties niet zullen begrijpen. Ha, alsof er ooit nog generaties zullen komen. Zelfs de stilte lacht me uit.

In de afgelopen dagen heb ik een ijzeren staaf met me meegesleept. Als ik ergens ga zitten om uit te rusten of omdat ik geen idee heb wat ik aan het doen ben, slijp ik de staaf op de daken van stoffige auto’s en de metalen wandbekleding van dure winkels. Hij heeft nu een scherpe punt.

Ik loop over de stoep zonder ergens naar toe te gaan en ik wil het bijna helemaal opgeven, ga maar liggen en wacht tot de hemel naar beneden komt donderen, maar dan zie ik een paar willekeurige brokken beton, brokken die mij direct voorkomen als mijn bestemming, de precieze plek die ik altijd al gezocht heb. Ik ram mijn staaf ertussen zodat ‘ie schuin overeind blijft staan. Ik laat mijn blik nog een laatste keer over het gebroken landschap glijden. De zon glinstert door de onnatuurlijk gekleurde wolken en in de verte schuifelen twee vlekjes over een omver getuimelde vrachtwagen. Konijnen, katten misschien.

Mijn adem gorgelt rood door de verder eerbiedig stille wereld.

~


  • De afbeelding boven dit verhaal is een collage van CCQA: I Know I Should Be Happy, but I Was Raised a Protestant (14,8 x 21 cm, 2015).
  • Het origineel van het motto van dit verhaal is: “Y en aquel instante, en una suerte de súbita revelacíon, creíste comprender el infierno.” Carlos Rojas: El Ingenioso Hidalgo y Poeta Federico García Lorca Asciende a Los Infernios (Ediciones Destino, 1980), p. 57; dit boek heb ik gelezen in de Engelse vertaling Edith Grossman: The Ingenious Gentleman and Poet Federico García Lorca Ascends to Hell (Yale UP, 2013), p. 38. Ik heb het motto vanuit de Engelse versie vertaald naar het Nederlands.

~

Geplaatst in De Stad | Getagged , | Een reactie plaatsen