Taalarmoede

Opperste wreedheid

Wat is het woord voor die bijzondere, in zichzelf besloten vorm van wanhoop die als een helm op je hoofd gedrukt wordt als de zon op begint te komen op een lentedag die je zonder veel vertrouwen tegemoet ziet? Hier in de trein is het donker, maar dáár, boven die lage bergen die nog zwart afsteken tegen de aarzelende dag, dáár kleurt het nu langzaam geel en zonsperen prikken door de ruit en ergens in mijn borstkas opent zich een donker gat.

En ik begrijp ineens met een mateloos empathisch inzicht het fenomeen dat in landen waar de zon maandenlang nauwelijks verschijnt de zelfmoordcijfers niet pieken in het hart van de winter, in het blinde oog van de wereldnacht, maar juist aan het begin van de lente, want als de daadwerkelijkheid er weer iets beter uit begint te zien worden de hulpelozen en reddelozen die zich nog geen spatje beter voelen gedwongen te onderkennen dat het niet de duisternis en de kou waren die hen tot hun mentale misère dreven, maar hun eigenste binnenste zelf. Voor de lijdenaars is de terugkeer van het licht een oordeel, een vonnis, en als de leugens die jou door de winter gesleept hebben niet meer houdbaar blijken, zal de waarheid je van jezelf verlossen.

En dus als de zon zo pesterig, zo onwelwillend magertjes, zo zwaardkoud boven de kim komt kijken, besef ik dat de nacht niets met het draaien van de aarde te maken heeft maar iets is dat uit de kern komt, mijn eigen kern of de kern van de planeet. Misschien is de nacht wel de meest natuurlijke toestand—een romantisch sentiment dat ons verkreupelt maar waar domweg niet meer aan te ontkomen valt.

De hemel vlamt nu wreed blauw en oranje, en binnen in de kern wordt het niet lichter…

Wat is daar het woord voor? Hoe kunnen we ooit hopen dit te overleven als we er met taal niet aan kunnen raken? Wat zal ons nog redden?

~

Geplaatst in Wanhoop | Een reactie plaatsen

Nice Try 🇬🇧

Denn da ist keine stelle, die dich nicht sieht

When the Creator of All That Is still hadn’t made anything yet, he glanced at his name tag and felt red-swirling shame rising up inside him: he was not worth this moniker! Although it must be said that he hadn’t created the name tag either. He’d found it in a rubbish bin somewhere and had dusted it off. It was a good name, Creator of All That Is, but as long as the not-being of all things persisted in this rather stubborn fashion, he really did look rather ludicrous, now didn’t he? Something had to be done.

He tried to create a beautiful sculpture from wet clay. The clay was too wet, actually, far too wet, almost mud, a sludge, but this was his first time. These things happen. The Creator of All That Is wanted to make this sculpture into a cosmos that was absolutely perfect. This would mean that he would knock down the proverbial two creatures of aviary persuasion with a single projectile, because he would simply create everything in a single, relatively simple (albeit somewhat tedious) effort—after all, things that don’t exist are not perfect, from which it must follow that, conversely, something that is perfect must in fact be everything; additionally, he would avoid all other efforts and the anxiety that comes with responsibility, because something that is perfect doesn’t require any maintenance. Right?

But perfection was far less straightforward than he’d hoped. The sculpture refused to assume the correct form and the Creator of All That Is kept kneading and modelling and had to start over hundreds of times. After a while, he was really getting tired of this bullshit: it was taking much more effort than he had anticipated, and he had better things to do with his time, now didn’t he? But the cosmos remained ugly: stoically adamant in its refusal to become impeccable.

And then the Creator of All That Is suddenly noticed what was going wrong here: he found a huge pimple on an otherwise elegant curve of the statue. That was the problem! He took a knife and tried to cut the pimple from the sculpture. But the pimple burst and pus splashed over the left hand of the Creator of All That Is. He was startled and flapped his hand back and forth to get the pus off. Ten, fifteen festering drops flew from his hand and were propelled toward an open window.

One of those drops of pus is our universe, with our little planet suspended in it, and we are still flying toward that open window.

~

This was the principal creation myth told among the members of an old, Hungarian tribe that hardly anyone has ever heard of. Oddly enough, this tribe never used windows, nor did they make sculptures. And I highly doubt they had any idea what a name tag is. So it may not have been their creation myth after all, or at least not their principal one.

~

Geplaatst in English 🇬🇧 | Een reactie plaatsen

Drombok: Tom Waits

Ik droom dat ik in een hotelkamer sta. Buiten is het donker, straat-lantaarns. Binnen branden een paar lampen, zachtgoud filmlicht. Ik sta voor een spiegel en probeer mijn bril recht op mijn neus te zetten. Dat is nog niet zo eenvoudig als het klinkt.

Op het bed zit een jonge vrouw, een meisje nog—zeventien? Misschien achttien. Ik ken haar niet. Ik heb geen controle over mijn dromen. Ze heeft lang, lichtbruin haar en draagt een zachtroze nachtjapon, zo lichtroze dat het bijna parelmoer is. Waar komt die glans vandaan? Ik weet dat ze op mij wacht, wacht tot ik mijn bril recht weet te krijgen, maar de stemming is niet seksueel. Ik heb geen idee wat hier aan de hand is.

Dan hoor ik een stem in mijn hoofd; nee: vlak bóven mijn hoofd; nee: recht áchter mij hoor ik een stem die een verhaal vertelt, een raspende whiskystem, recht uit de asbak, een stem die vertelt over… over mij, over deze kamer, over wat er nu gebeurt—wat dat ook moge zijn. De stem vertelt mijn verhaal, en als ik nu maar zou kunnen luisteren, als ik me ook maar heel even zou kunnen concentreren op wat hij precies zegt, dan zou ik misschien eindelijk iets begrijpen, zou ik eindelijk weten wat er gaande is.

Ik kijk weer in de spiegel en zie dat er in de leunstoel in de hoek van de kamer—tussen het bed en het raam—ineens een man zit. Of misschien zat hij daar de hele tijd al. Ik draai me om. Het is de man die mijn verhaal vertelt, de stem die rustig hardop zegt wat ik in het raadsel van mijn schedel warrig fluister. Ik kan hem nog steeds niet verstaan en mis daardoor alle grip op het verschil tussen mijn afgesloten denkwezen en de wereld buiten mij.

Hij draagt een spijkerbroek en puntige, leren schoenen. Misschien zijn het cowboylaarzen. Ik hoor nu dat hij Engels spreekt. Hij rookt een sigaret en laat de rook uit zijn mond walmen. Het is Tom Waits.

Ik kan niet goed zien hoe oud hij is, zijn hoofd verborgen in halve schaduwen, obscuur gemaakt door scherven licht. Zijn stem klinkt zwaar, oud als Real Gone, gezicht als een orang-oetang, gewicht van jaren mensenkennis, maar zijn lijf lijkt slank, jong als Down by Law.

Ik zet een stap in zijn richting. Het meisje op het bed heeft nog altijd niks gezegd, ze kijkt rustig van mij naar Tom Waits, van Tom Waits naar mij. Ze lijkt niks te verwachten en niks te vrezen.

Tom Waits staat op en mompelt iets dat klinkt als de laatste zin van een verhaal met een open einde. Er hangt een spijkerjasje over zijn arm. Hij trekt het grote raam open, zet een voet op de vensterbank en stapt nonchalant naar buiten. Ik ren naar het raam en zie zijn lichaam vallen als een trekpop, drie, vijf, zeven verdiepingen naar beneden, hij stort te pletter op de neonverlichte parkeerplaats van dit goedkope hotel. Nu schreeuwen er stemmen vanuit allerlei richtingen. Tom Waits beweegt niet. Het jasje lijkt nog over zijn arm gevouwen.

Ik draai me naar het meisje op bed. Ze kijkt nieuwsgierig terug, alsof ze zich absoluut geen zorgen maakt maar benieuwd is naar wat ik heb gezien. Ik kijk weer naar beneden. Waar net nog het lichaam van Tom Waits lag, ligt nu alleen nog een grote plas water. Hij had veel te vertellen maar ik kon niet luisteren. Het is ons nooit gegund inzicht in de dingen te krijgen.

Ik ontwaak met tranen in mijn ogen.

~

Geplaatst in Dromen | Een reactie plaatsen

De regisseur

Hou op te acteren alsof je op een podium staat, roept de regisseur. De mensen bij de bushalte hebben geen idee waar hij het over heeft—de meesten negeren hem, een paar doen hun best iets nonchalanter te gaan te staan. De regisseur fietst weer langs maar ziet voor de vijftigste dag op een rij geen enkele verbetering. Hij springt van het zadel, de fiets rolt een stukje door en laat zich dan vallen alsof hij aan een onzichtbare scheidsrechter een penalty probeert te ontlokken. De regisseur gooit zich door de deur van een rustiek bakkerijtje en wringt zich tussen een puddingbroodje en een boeket baguettes door om naar elders te verdwijnen.

Een van de cameramannen is achter hem aan gehold, maar kan hem nu niet meer vinden. De cameraman stapt weer naar buiten en stuurt iedereen naar huis.

~

Geplaatst in Breuken | Getagged | Een reactie plaatsen

Wie drinkt er nog alleen?

Je staat op de dwarsbalkjes van je kruk en je buigt ver over de bar om even goed te kijken wat voor gin ze hier op voorraad houden, je buigt eigenlijk wel erg ver, de langharige cocktailtovenaar moet zelfs een stapje opzij doen omdat je hem anders recht op zijn glimmende lippen zal zoenen. Oppassen dat je niet in de spoelbak dondert, je bent wellicht dronkener dan je denkt, zeg je tegen jezelf—en die gedachte stemt je trots: jij kunt jezelf nog inschatten, jouw geest blijft overeind waar anderen reeds gesneuveld zouden zijn. Je bent trots op je wilskracht en je stevige gestel, want je bent vaak dronken maar zelden hulpeloos.

Je buigt voorover en bekijkt de plank prachtige flessen. Eén heeft een bepaalde groene kleur die je op dit moment enkel als “glasgroen” kunt beschrijven, maar dat klinkt zo lui, en trouwens, het is niet eens wijnflesgroen, dus wat voor kleur bedoel je nou eigenlijk? De naam van dit merk heb je nooit goed uit leren spreken: als mensen het je voordoen lijken hun klanken niet overeen te komen met de krullerige lettercombinaties op het etiket, en iedereen zegt telkens nét weer iets anders.

Een tweede fles is lichtblauw, zwembadblauw: de Bombay, herken je overal. Dat is geen opschepperij of überhaupt ook maar een prestatie, iedereen herkent die fles overal. De rest van de flessen is wit of bruin—apothekersbruin, bruin als de plastickleur van de nieuwe potjes waarin een landelijke drogist heel authentiek & ouderwets zijn vitaminepillen is gaan verkopen, want alles moet tenslotte wijken voor de vergruizende wielen van de nostalgie-industrie.

De meeste etiketten denk je te herkennen en je hebt over bijna ieder drankje een duidelijke mening—dat is wél opschepperij, alsook volkomen correct. Je drinkt nou eenmaal veel.

Uiteindelijk kies je voor Monkey 47, dat is een van je favoriete gins, niet zozeer omdat jij de meest ontwikkelde smaakpapillen op deez’ aard hebt en na eindeloos wikken en gorgelen deze boven alle andere verkozen hebt, maar omdat er een aapje op het label staat en een vriendin je eens verteld heeft dat het een geweldige gin is (“Fan-tas-tisch”, zei ze), en het placebo-effect van de aanbeveling is sterk, of misschien ben je volstrekt ruggengraatloos, of misschien had ze gewoon gelijk, want je vindt het echt een van de lekkerste gins, veel ginmerken worden alsmaar zoeter omdat de globale smaak alsmaar infantieler wordt, maar de Monkey buigt niet voor gemene delers. Het is een dure keuze, maar goed. Wacht, heb je nog wel geld?, ach, aangezien je toch al dronken bent doet dat er niet eens meer toe, kies de aap, the monkey on my back, en giet je bakkes vol en voller, laat maar komen!, tot je golvend in een avondwinkel sigaretten staat te halen en je afvraagt of je de rekening in de kroeg wel betaald hebt—macht nichts, je bent er morgen toch wel weer, met excuses en dankzeggingen voor het personeel, aflaten en halleluja’s.

Buiten, de kou legt natte washandjes op je wangen, je voorhoofd. Vonkwieltje ratelt, longen creëren een nicotinevacuüm, je ademt uit. Bevrijding.

~

Geplaatst in Extase | Een reactie plaatsen

BASELITZ / ET LUX PERPETUA 🇬🇧

A naked boy on the battlefield, de-legged or legless, only got one arm left, ash and grass and blood and a gunpowder smell. In his stomach—stomach of bee wax candle wax—a gash: a neat, clean wound, criminally surgical.

His body lies on the ground and our gaze is level with his pale eyes.

Mortars soundlessly cover every square foot.

The boy looks into the camera. Do you think he knows he hasn’t got legs anymore? Do you think he knows he’s arrestingly beautiful and that he will set before the sun today?

The boy looks into the camera and painfully moves his hand toward his stomach he cocks his hand lazily extends an index finger eager, and he dips the hungry finger into the blood grin on his belly, up to the first knuckle.

He’s still looking at us, he’s not going to break this precious eye contact.

He cranes his arm up again, eyes half closed ecstasy or slavery or death pain—shrouded in pain we are born, shrouded in pain we are pushed out of life—and he, helplessly on his back, holds the finger up for us.

Look, a caterpillar! he seems to want to say, but it’s not a caterpillar and he doesn’t say anything at all, he is silent, his eyes are closed now.

A hand lies in the grass.

~

Geplaatst in English 🇬🇧 | Een reactie plaatsen

De vreemdeling

En terwijl ik in de dikke mist probeerde een route te vinden waarvan ik me zeer bewust was dat deze niet bestond (er zijn geen richtingen, enkel doodlopende wegen), voelde ik op enige afstand van mij—tien, zestien meter—een aanwezigheid. In de flarden ontwaarde ik een lang lichaam dat onhoorbare stappen zette, een figuur die zeer slecht zichtbaar was, doch onmiskenbaar met mij meeliep. Hij leek een donkergrijs pak te dragen, maar de hele wereld was nu donkergrijs geworden, dus wie weet.

Ik bleef staan en riep hem toe, ik vroeg hem wie hij was en waar we naartoe gingen, en hoe we dat konden voorkomen. Hij hield ook halt maar antwoordde niet, of in elk geval niet luid genoeg, want ik hoorde helemaal niets, alleen mijn eigen ademhaling en een scherpe wind die door mijn schedel schuurde maar het uitzicht niet schoon wist te vegen. Ik liep verder en de figuur kwam met mij weer in beweging.

Hij bleef meelopen. Als ik sneller ging wandelen, zette hij er ook meer vaart achter. Als ik mijzelf staande hield om een drassige sigaret op te steken, wachtte hij beleefd tot ik een vuurtje aan de vochtige lucifer had weten te ontfutselen.

Hij volgde me kilometers of uren lang, geduldig als een hond die zijn eenzame baasje uitliet en het baasje deed geloven dat het andersom was, of als een gier die een kans zag, of als een doodgraver die heel goed wist dat vóór ons niets lag dan een brug waar mensen alleen naartoe gingen om zelfmoord te plegen.

Zwijgend liepen wij door de mist.

 

[afbeelding: “Stare Straight Ahead (Ligotti Space)”, collage, CCQA 2016]

~

Geplaatst in Dromen | Een reactie plaatsen

All the Knights but One 🇬🇧

leviathanOnce upon a time, a king had assembled his finest knights in the great hall of the royal palace and said, Go out into the world, brave lords, and bring me a thing that doesn’t exist.

One by one, the knights filed out of the hall, heads held high, loyal minds full of their king’s desire and their own burning wish to succeed. A poor knight in dingy, dull armour, just barely a knight at all, really, was the last one out the door. He had a ponderous look on his underfed face, although we do not want to suggest that he was any less loyal or less consumed by the wish to please his liege by bringing him the thing that he wanted. Brooding and meditating on the king’s wondrous request, he made his way down and joined his brothers in arms in the courtyard, leaning against a wall and holding his chin, staring in the distance.

The other knights were hurrying to leave the palace. They milled around the courtyard, seemingly busy while actually impatiently waiting for an army of pages and scores of servants to bring horses from stables and weapons from armories. In their enthusiasm, they hesitated not to share their plans with their fellow knights, trusting the chivalrous code of honour to ensure that their strategies would not be imitated by the others.

I will ride for Ireland, said the red knight Pallus, For there live leprechauns and enchantresses and others of the faerie folk that do not exist.

A fine plan! exclaimed all the knights but one.

I, declared the blue knight Sallus, will travel to Africa, where I will find ant-lions and basilisks and sundry creatures that surely cannot be.

A fine plan! cheered all the knights but one.

The yellow knight Mallus raised his sword and cried with courage, I will venture into the lands of the ancient heroes, where I will hunt down for my king centaurs, or the chimaera, or other beasts that Our Lord has never created.

A fine plan! shouted all the knights but one.

Then the green knight Fallus proclaimed above the clamour, I shall set sail to the open seas and slay the Ouroboros or catch a mermaid, as the waters teem with monsters that the scholars assure us do not teem there.

A fine plan! horsely shrilled all the knights but one.

The white knight Allus, the king’s favourite, lay a brotherly hand on the poor knight’s shoulder, touching the dim-grey armour with his brilliant white glove, and asked, And where will you search for the answer to our lord’s request, my friend?

The grey knight didn’t answer immediately but looked as if he was tasting his words before speaking them aloud, and then he whispered, I think I shall search nowhere.

The white knight’s laughter ricocheted through the courtyard, That may be a good place to start, he boomed while he mounted his horse. Good luck, brother, he said, and he rode off through the palace gates, out into the existing world.

One by one the iridescent knights of the king left to pursue their royal assignment, until the grey knight stood alone in the early dusk. His page had finally succeeded in waking and then saddling his ancient horse. The horse was grey as well. Grey and sad.

My lord, said the page, Will you not ride out to find what our king has asked you to find?

No, the grey knight said. Let the horse go back to sleep and go to bed yourself. I think I have solved this riddle the king had given us.

My lord?

Go now, faithful page, I have business with the king.

The page dragged the horse, unhappy to have been woken up at all, back to the stables. The grey knight ran up the steps to the king’s private quarters.

The king was almost ready to retire, but he received the grey knight nonetheless.

The grey knight bowed, Your grace.

You have returned so soon, my gallant warrior? Have you no wish to bring me what I have asked, like your brothers?

I have this wish, my liege, and more: I have the answer to your command.

Is that so, my loyal servant?

Yes.

Very well: have you found a thing that does not exist?

No, my king.

The two men looked at each other for a long time. Then the king smiled, Good, he said, and he walked towards the royal bedchamber. Tomorrow, he said, and all days after that, you will sit at my right hand and will rule these lands together with me.

The grey knight bowed again, but the king wasn’t watching him anymore. It was time to go to sleep.

[image: “Leviathan”, collage, CCQA 2015]

~

Geplaatst in English 🇬🇧 | Een reactie plaatsen

BASELITZ / ET LUX PERPETUA

Yorick for President

Een naakte jongen op het slagveld, ontbeend, nog maar één arm, as en gras en bloed en kruitgeur. In zijn buik—buik van bijenwas kaarsvet—een snee, een nette, schone wond misdadig chirurgisch.

We zien hem van zijn zij.

Geluidloos vallen mortieren op iedere vierkante meter.

De jongen kijkt in de camera. Zou hij weten dat hij geen benen meer heeft? Zou hij weten dat hij wonderschoon is en dat hij eerder onder zal gaan dan de zon vandaag?

De jongen kijkt in de camera en beweegt pijnlijk zijn hand naar zijn buik wapent zijn hand een wijsvinger strekt zich lui uit gretig, en hij doopt het hele eerste kootje van zijn bijdehante wijsvinger in de bloedgrijns in zijn buik.

Hij kijkt ons nog altijd aan, hij zal dit onbetaalbare oogcontact niet verbreken.

Hij takelt zijn arm weer omhoog, ogen half gesloten extase of slavernij of stervenspijn—omgeven door pijn worden we gebaard, omgeven door pijn uit het leven geduwd—en hij houdt, hulpeloos op zijn rug, de vinger voor ons omhoog.

Kijk, een rups! lijkt hij te willen zeggen, maar het is geen rups en hij zegt helemaal niks, hij is stil, alles is stil, en zijn ogen zijn nu gesloten.

De hand ligt in het gras.

~

Geplaatst in Extase | Een reactie plaatsen

Leuk geprobeerd

Broedplaats van het universum III (2016)

  Toen de Maker van Al Dat Is nog niks gemaakt had, keek hij eens op zijn naambordje en voelde roodtollende schaamte opborrelen. Het naambordje had hij trouwens ook niet zelf gemaakt, hij had het ergens in een prullenbak gevonden en afgestoft. Het was een goede naam, Maker van Al Dat Is, maar zolang het niet-bestaan van alle dingen stug doorzette, sloeg hij toch wel een heel erg potsierlijk figuur. Hier moest iets aan gedaan worden.

Hij maakte een prachtig beeld van natte klei. Veel te natte klei eigenlijk, bijna modder, blubber, maar het was dan ook zijn eerste keer. De Maker van Al Dat Is had bedacht dat de sculptuur de perfecte kosmos zou worden, want op die manier zou hij twee vliegen in één klap slaan: hij zou zonder al te veel moeite álles gemaakt hebben—wat niet bestaat, is tenslotte niet perfect, en daaruit volgt, omgekeerd, dat iets dat perfect is, wel alles moet zijn; en hij zou ook nog eens van alle taakjes en daaruit volgende onrust af zijn, want iets dat perfect is vergt natuurlijk geen onderhoud.

Perfectie was minder eenvoudig dan hij had voorzien. De sculptuur weigerde de juiste vorm te krijgen en de Maker van Al Dat Is moest eindeloos boetseren en telkens overnieuw beginnen. Na een tijdje begon hij er genoeg van te krijgen: dit kostte veel meer moeite dan verwacht, en hij had echt wel betere dingen te doen. Maar de kosmos bleef lelijk en volhardde pertinent in zijn weigering volmaakt te worden.

En toen zag de Maker van Al Dat Is ineens wat er aan de hand was: op een elegante krul van donkere materie zat een grote puist. Dat was het probleem! Hij pakte een mes en probeerde de puist van de sculptuur af te snijden. Maar de puist sprong open en lauwe pus spetterde over de hand van de Maker van Al Dat Is. Hij schrok en schudde zijn hand hard heen en weer om de pus eraf te krijgen. Tien, vijftien etterige druppels wapperden van zijn hand en vlogen in de richting van een open raam.

Een van die druppels is ons universum, waar onze planeet in hangt, en we zijn nog altijd onderweg naar het open raam.

~

Dit was het voornaamste scheppingsverhaal van een oud, Hongaars volk waar bijna niemand ooit van gehoord heeft. Vreemd genoeg kende dit volk geen ramen of sculpturen. En ik betwijfel of ze enig idee hadden wat een naambordje is. Misschien was het hun scheppingsverhaal dus wel helemaal niet, of in elk geval niet hun voornaamste.

~

Geplaatst in Breuken | Getagged , , , , , , , , | Een reactie plaatsen