Het belang van het irrelevante

De Karl-Marx-Allee, met uitzicht op de torentjes van de Frankfurter Tor

Alfred Jarry schreef: ‘We zullen niet alles gesloopt hebben tot we ook de ruïnes hebben afgebroken.’*

We praten vandaag over “het belang van het irrelevante.” Voor dit nummer van Kluger Hans beschreef ik zo beknopt mogelijk het leven van Henry Rascolcilly. Rond zijn dertigste begon hij te vervreemden van zijn eigen lichaam, waardoor slapen onmogelijk werd. Een klein probleem van een verder irrelevant persoon—maar voor hemzelf was er niks belangrijkers.

Als Henry in bed lag voelde hij dat zijn denkwezen, zijn meind, niet meer was dan een eenzame mier in het vliegdekschip van zijn lichaam. Zijn lijf voelde akkers groot, opgezwollen. Zijn armen waren lang genoeg om de planeet te omhelzen. Maar zijn bewustzijn was een knikker in een woestijn van zwart zand, een bijna opgebrande kaars in een glazen potje op de bodem van de zee.

Henry Rascolcilly pakte dit probleem van disproportionaliteit aan door zijn huis te verbouwen zodat alles heel krap werd, en hij verhuisde later naar een piepklein appartementje. Toen dat allemaal niks opleverde, besloot hij zijn eigen lichaam kleiner te maken, en hij liet stukken van zijn ledematen amputeren. En hoe kleiner hij werd, hoe meer hij met zichzelf samenviel.

Ik loop nu op de beroemde Karl-Marx-Allee in Berlijn en ik denk na over zijn en worden, en over afbraak en voltooiing. “Slopen” klinkt zo definitief, een einde door vernietiging, maar Berlijn en Duitsland werden pas één toen de Muur gesloopt werd.

Het begint altijd klein. Waar ligt die grens? Hoeveel irrelevante dingen moet je opstapelen voordat er iets belangrijks ontstaat?, zij het een prestatie of een crisis.

Eén schep aarde graaft geen graf. Eén kiezelsteen wordt geen aardverschuiving. Eén waterdruppel verzwelgt geen steden. Wanneer wordt iets irrelevants iets onontkoombaars? Eén demonstrant werpt geen regime omver.

Rascolcilly begon ook klein: eerst liet hij een vinger amputeren, daarna nog een, daarna een stuk vlees uit zijn dij. En hoe kleiner hij zich liet maken, hoe meer hij zichzelf werd. Wat voor velen een tragedie zou zijn geweest, was voor hem een triomf. Wij mogen zijn keuzes bizar en nutteloos vinden, maar voor hem maakten deze ingrepen het leven nou juist de moeite waard.

De Karl-Marx-Allee is een plek waar het communisme – wat de verdere misstappen ook geweest zijn – zich van een erg goede kant liet zien. Ik ben nu omringd door prachtige, goed gerestaureerde Sovjet-pronkarchitectuur. Hoge strakke muren met ineens neoclassicistische elementen, mozaïeken, fleurige marmerbalkons, en dan de vreemde vuurtorens op de Frankfurter Tor.

Maar de goede kant van het communisme is niet dat dit indrukwekkende DDR-bouw is. Nee, we moeten het áchter de imposante gevels zoeken, waar niet de partijbazen en officieren van de Stasi woonden, maar gewone arbeiders met hun gezinnen. De mensen die tegenwoordig vaak als irrelevant behandeld worden. Onderbetaald, uitgeknepen, hoge huren en geen zekerheid, tót we door corona ineens doorkregen wat écht de essentiële beroepen zijn. Als de wereld ooit weer normaal wordt, zullen we dan proberen te onthouden wat nu werkelijk relevant en irrelevant is?

Rascolcilly liet zijn halve lichaam amputeren en hij sliep beter dan ooit. Hij voelde zich als een schipbreukeling van een onbewoond eiland gered. Hoe meer zijn lichaam kromp, hoe meer zijn vreugde groeide. Hij was eindelijk volledig zichzelf.

Slopen en afbreken klinken als uitwissingen, beëindigingen, maar ze zijn vaak ook Allees naar iets nieuws. Amputeer een arm en wordt jezelf. Verbrand je mislukte roman en schrijf een nieuwe. Breek een muur af en herenig een land.

De Karl-Marx-Allee was een plek waar gewone, niet spectaculaire mensen een goed huis kregen. Dat kan deels het pochen van de paranoïde en tirannieke DDR zijn geweest, maar ik zie het liever als een kleine triomf tussen de ellende.

Ik hou niet per se van literatuur over gewone mensen—of eigenlijk van personages die van de schrijver normaal moeten zijn. Ik hou van vergeten genieën, excentrieke mislukkelingen, belachelijke schurken. Mensen die lak hebben aan de wereld en haar lofprijzingen, of het uitblijven daarvan. Dat is ook een viering van mensen die irrelevant lijken: irrelevant omdat hun uitvindingen niet populair werden, of omdat hun kunstwerken slecht verkochten. Maar daarmee waren ze nog niet onbelangrijk. De wereld gaat aan velen voorbij en is geobsedeerd door branie, opschepperij en behapbaarheid. Dingen die in de grauwe kaken van de geschiedenis uiteindelijk vergeten zullen worden—irrelevant.


~
« Deze tekst werd op 27.v.2020 door mij voorgedragen op urgent.fm, tijdens de radiolancering van Kluger Hans #38, waarin ook de tekst over Henry Rascolcilly verscheen. Het nummer is hier te bestellen. (PS. Een andere tekst van mijn hand staat in Kluger Hans #36) »

* ‘[N]ous n’aurons point tout démoli si nous ne démolissons même les ruines.’
  —motto van Jarry’s Ubu enchainé, 143, in: Ubu roi (Parijs: La Revue Blanche, 1900). 143-244.

 

Geplaatst in Biografieën, Schurken | Een reactie plaatsen

Werner Kriegsmöwe

Werner Kriegsmöwe
het allerluiste genie
(1960–2044)

Zoals vlak zijn na geboorte al werd voorspeld door zijn oma aan zijn moeders kant, bereikte Werner Kriegsmöwe later maar weinig op het gebied van traditionele beroepen en conventionele vakken. Telkens opnieuw vond hij oninteressante baantjes die alleen maar slecht loon en tandentrekkende monotonie te bieden hadden en waar Kriegsmöwe het, onverrassend genoeg, nooit langer dan een paar weken uithield, of soms zelfs maar een paar dagen. Vele geleerden willen dit beroepspatroon tegenwoordig interpreteren als een teken van zijn ontluikende genie, dat domweg niet voldoende werd uitgedaagd door de voetgangerige trivialiteit van zulke beroepen; anderen zeggen dat hij gewoon lui was. (Voor een interessante discussie, zie Ellie Steharms uitstekende Die deutschen Exzentriker, hoofdstuk VII: “Die faule Sonderlinge: Von Rotbrett bis Kriegsmöwe”; vgl. Thomas R. Spoon 1973)

Aan het einde van de jaren tachtig werkte Kriegsmöwe bijna drie hele maanden als graveerder van naambordjes in een kleine werkplaats in Frankfurt, maar zijn gebrek aan interesse in zowel het vak als de klandizie maakte hem – zeker in combinatie met zijn bijzonder allesomvattende aanleg voor verveling – peilloos ongeschikt voor dat soort werk: vele families in de stad zagen zich door een foutief schildje op de voordeur gedwongen om hun naam te veranderen. Uit goed ingelichte bronnen kan men bijvoorbeeld vernemen dat er in de Ostendstraße – vlakbij de Großmarkthalle, waar vroeger groente en karkassen werden verkocht, vers van het land en uit de abattoirs – nog altijd een gezin woont dat zich Schünbeggen noemt, in plaats van het gebruikelijke Schönberger. Linguïsten en genealogen komen van heinde en verre om zich te verwonderen over het naambordje, en, met een beetje geluk, een van de bewoners te spreken.

Verder hebben wij begrepen dat er elders in diezelfde stad, waarschijnlijk in de Fahrgasse of een van de omringende straten, een groot gebouw staat dat eens werd opgekocht door een bierbrouwer die het pand in appartementen voor al zijn kinderen onderverdeelde om er één groot dynastiek onderkomen van te maken. Na de verpletterend ontoereikende dienstverlening van Werner Kriegsmöwe wonen daar vele jaren later nog altijd op de begane grond het gezin Rabe en het gezin Rabke, op de eerste verdieping het gezin Robel en de weduwe Rapf, op de tweede verdieping het echtpaar Rabser en het gezin Räbbel, en op de ruime zolderverdieping ene Herr Dr. Mantelbrod, gepensioneerd historicus en curator van een klein volkenkundig museum in Darmstadt, die zijn intrek in het pand nam toen de oude mevrouw Rabtze, de mater familias, was overleden. Het schijnt dat de bewoners allen ontkennen familie van elkaar te zijn, ondanks het feit dat ze sterk op elkaar lijken en dat hun achternamen opvallend veel overeenkomsten met elkaar vertonen.

Gevraagd naar zijn mening over de situatie schudt Dr. Mantelbrod zijn hoofd en mompelt heel overtuigend dat hij geen idee heeft waar je het over hebt.

Geplaatst in Biografieën, Schurken | Een reactie plaatsen

Flitsverhaal: Waarschuwing voor schrijvers

Geplaatst in Breuken/Flitsen | Een reactie plaatsen

Flitsverhaal: Esta es mi taberna favorita

Geplaatst in Breuken/Flitsen | Een reactie plaatsen

Flitsverhaal: Bonsaiman

Geplaatst in Breuken/Flitsen | Een reactie plaatsen

Flitsverhaal: De pil

Geplaatst in Breuken/Flitsen | Een reactie plaatsen

Flitsverhaal: Per ongeluk

Geplaatst in Breuken/Flitsen | Een reactie plaatsen

Flitsverhaal: Vieze yoga

Geplaatst in Breuken/Flitsen | Een reactie plaatsen

Een nieuwe kroeg

Op zondagavond vertelde Rodolfo me over een nieuwe kroeg, of niet echt een nieuwe kroeg, maar een kroeg waar wij nog nooit geweest waren, een kroeg waar we op één of andere mystieke manier van voodoo en spirituele camouflage zelfs nog nooit van gehoord hadden—wij! WIJ! stamgasten van elke sfeervolle bar, ruim geopende avondwinkel en matig interessante stoep van deze stad, ja, zelfs voor sommige viaducten haalden wij onze neuzen niet op.
Ik kwam direct overeind en begon mijn jas aan te trekken, deze fabelachtige nooit-geziene herberg moest ik zien!, maar Rodolfo liet direct alle lucht uit mijn springkussen weglopen met een nonchalant Ze zijn op zondag niet open. Mijn lijf werd op mijn stoel gedumpt als een visnet vol ziekige, magere vangst op het dek van een maar net niet zinkend schip.
Laten we volgende week gaan, zei Rodolfo.
Of morgen, antwoordde ik, We kunnen ook mórgen gaan.
Nee man, ik kan de hele week niet. Zaterdag?
Oké, zei ik teleurgesteld, nu erg ontevreden met het café waar we zaten, Dan gaan we zaterdag wel.

De hele week voelde ik een kriebel in mijn maag, een opstijgend gevoel onder mijn longen als ik aan die onbekende kroeg dacht. Als ik niet zo veel dronk had ik er dorst van gekregen. Ik zat dan bijvoorbeeld bij Het Fort van een borrel te genieten en dacht, Er is een kroeg die ik niet ken! en dan bekroop een benauwdheid mij, de benauwdheid van een jonge liefde of van tentamens die over vijf minuten beginnen. Het was alsof iemand een geneesmiddel tegen dementie of een oplossing voor nadenken had gevonden, en ik was de enige die het wist. Ondraaglijk.
Donderdagavond stuurde ik Rodolfo een berichtje om het adres te vragen van de kroeg zat waar we elkaar zaterdag zouden treffen, We zien elkaar dan daar wel, schreef ik, en zodra hij het adres sms’te pakte ik mijn portemonnee en sigaretten en haastte ik me naar dit onvermoede Shangri-La, dit verborgen Utopia, deze paragon van goddelijke dorstlessendheid. De lantaarnpalen gingen net aan toen ik de deur openduwde, de wereld wilde mijn triomftocht bijschijnen. Ik wachtte een paar minuten op de tram maar toen die vertraagd werd begon ik te lopen, te snelwandelen, ja, misschien zelfs wel te hollen.
Ik kende dit pleintje, ik wandelde hier zo vaak maar die ene deur tussen de wildgroeiende sluier van klimop was me nooit opgevallen. De deur was zwaar en het koperen handvat groen gevlekt. Dit begon al goed.
De bar zelf was vies donker, de onhelderheid van verwaarloosde aquariums. De muren was versierd met de allerhandige rommel die je alleen op een rommelmarkt van ontoerekeningsvatbare nomaden uit de retro-toekomst zou kunnen vinden. Opgezette vogels, zwartgeverfde neonwoorden, ingelijste foto’s van elektrische-stoel-executies, porseleinen poppen in okergele jurkjes, schedels van plastic of onze verste voorouders, een oude atlas als door een bibliofiele of juist bibliofobe vlinderverzamelaar met een spijkerpistool aan de muur genageld (Angola prachtig giftig groen, maar wat is dat land dat Opper-Volta heet?), kleine flesjes gevuld met veelkleurig zand, op een kastje vol goedkope dichtbundels staat een koffertje dat volgegoten is met bandloze horloges en kleine kompassen—alle geven een andere tijd of richting aan en dit is dus een kroeg waar men kan verdwalen en onbezorgd oud kan worden.
Het was als drinken in een van de dozen van Joseph Cornell.
Ik moest even een brok in mijn keel wegslikken, Al die verspilde nachten dat ik niet hier was, en ik baande me een weg door de jongelingen en andere ervaringslozen die onmogelijk in konden zien wat voor geluk ze hadden deze plek gevonden te hebben, terwijl ik door jaren ellende zo murw was geworden en tegelijk zo poreus en tegelijk zo ondoordringbaar dat ik erg mijn best moest doen niet cynisch naar de kroeg te kijken. Als dit een hippe bedoening was, dan was ik maar hip. En ik zou hier nog steeds te vinden zijn nadat het al lang niet meer trendy was. Uiteindelijk vond ik de bar waar nog een kruk vrij was, waar ik niet meer van zou wijken tot de Vier Ruiters me persoonlijk het goede nieuws van het einde van de wereld kwamen brengen.
Ik bestelde een Old Fashioned (zonder kers, alsjeblieft!), stak een peuk op en keek overrompeld door een indringend soort tevredenheid om me heen. Toen ik mijn tweede drankje aanpakte zag ik door het deinende woud van jongelingen Rodolfo verschijnen, hij droeg een junglehelm en hakte lianen en ledematen weg met zijn machete. Hij had een grijns op zijn gezicht en middelvinger sprong omhoog uit de vuist die hij als een revolver naast zijn heup hield. Er kwam net een kruk vrij en Rodolfo ging naast me zitten.
Wat een aars ben jij ook, zei hij terwijl hij mijn Old Fashioned proefde en naar de barvrouw gebaarde, Wat een aars. Ik wist wel dat je niet tot zaterdag zou wachten.
Ik had eigenlijk gedacht, zei ik, Dat jij hier eerder zou zijn dan ik.
Ik heb mijn best gedaan, zei hij.
Moet jij morgen niet werken?
We moeten morgen zoveel, waarom zouden we daar nu al mee bezig zijn?
Rodolfo kreeg zijn drankje en we proostten op de eeuwige nacht.

~

  • afbeelding: CCQA. Dionysian Priest Greeting the Unexpected Appearance of Apollo in the Morning Mountains, and Susan (collage 2019, 15,9 x 15,9 cm)

Geplaatst in Voor Vandaag | Een reactie plaatsen

Onderweg

Ik legde deel drie van het Verzameld Werk van Pierre Menard toch maar weer weg omdat ik licht bepakt op reis wilde zijn. Ik bleef maar drie nachten logeren, en ik moest onderweg vier keer overstappen, of vijf, ik hoopte maar dat ik het goed genoteerd had. Het zou dus erg helpen niet te veel bagage mee te hoeven dragen. Negenhonderd pagina’s—nee, dank u…
Maar wat te lezen?
Er was haast bij, dus ik pakte snel twee of drie dunne verhalenbundels waar ik nog niet aan toe was gekomen, en toch ook maar die bloemlezing van Kroatische dadaïsten met de rare titel God en Bog, en de geschiedenis van politieke experimenten van Leonadirae Paad, en ik wilde dat fotoboek van Jean Vigo ook eindelijk wel eens doorbladeren, oh: de Baskische gedichten van Ivézar, natuurlijk, en ik had ook nog geen tijd gehad de essays van Chris Marker te lezen. En… Vloekend holde de trap naar de kelder af om een extra koffer te pakken. Mijn trein ging over twintig minuten.


Geplaatst in Voor Vandaag | Een reactie plaatsen